

© Thomas Ducheyne
In de Beenhouwersstraat 9 zat nog niet zo lang geleden een metaalslijperij. Sinds kort worden er ideeën geslepen. Precies op die plek opende op vrijdag 4 september het gloednieuwe Masereelhuis, met tegelijk de vernissage van Magrafica, een expo die kunstenaars in de geest van Frans Masereel liet werken rond het thema democratie. Voorzitter Filip Delmotte knipte het lint door, met schepen van Sociale Zaken Pablo Annys en nationaal directeur Leen Van Waes aan zijn zijde. Ik stond ertussen met een Fritz-cola in de hand, geen verwerpelijke Coca-Cola, die is voor de kapitalisten, en dacht: eindelijk.
Ik zal maar meteen bekennen dat ik een moeilijk lid ben. Ik heb geen partijkaart, geen zetel in een raad van bestuur, geen adviescomité dat op me rekent, en zodra iemand me ergens in probeert onder te brengen word ik kregelig. Het Masereelfonds is zowat de enige vereniging die me verdraagt, of beter, die me nooit iets heeft gevraagd. Dat het me toch tot lid maakte, zegt meer over het fonds dan over mij. En het geeft me het recht om hier iets te beweren wat uit een andere mond naar reclame zou klinken: dat de opening van dit huis een van de belangrijkste dingen is die dit jaar in Brugge gebeurd zijn.
Om te begrijpen waarom, neem ik u even mee, weg van de Beenhouwersstraat, naar het Suske en Wiske-album 215, De Krimson-crisis, misschien wel het allerbeste uit de hele reeks. Lambik landt daarin op een zonnige dag op de tarmac in Zaventem, na een lang verblijf in het buitenland. Terug in zijn geliefde Antwerpen merkt hij al snel dat de wereld die hij achterliet totaal veranderd is. De florist op de hoek is een computerwinkel geworden, de ober in zijn bruine kroeg is vervangen door een automaat, iedereen loopt in een pak van het merk BROL, en de tramconducteur is weg: de deur sluit, of er nu nog iemand aan het instappen is of niet, die zit er gewoon tussen. Lambik, de goedzak, wordt kwaad en zoekt zijn vriend Jerom op, die apathisch voor de televisie hangt. Suske en Wiske zijn verslingerd aan een computerspel en gooien hem buiten omdat hij hun game verstoort.
De strip uit 1988 dreigt een van de meest accurate voorspellingen voor onze tijd te worden. Alles wat Lambik verdwenen ziet, heeft één ding gemeen: het waren plaatsen waar je terechtkon zonder afspraak, tussen mensen die je toevallig tegenkwam. De ober, de conducteur, de florist. Vandaag verdwijnen zulke plekken in naam van de efficiëntie. En het is precies die diagnose die Filip Delmotte in zijn toespraak, veel eleganter dan ik, maakte.
Overal verdwijnen de cafés en de volkshuizen, zei hij, en in het spoor van de banken sluiten nu ook de mutualiteiten en de vakbonden hun loketten. Geen collectief gebeuren meer, maar individuele dienstverlening op afspraak. De plekken waar gemeenschap vorm krijgt, smelten als sneeuw voor de zon.
Je hebt er geen Amerikaanse socioloog voor nodig om dat te zien, al hebben ze daar wel een woord voor bedacht: de derde plek, the third place. Niet je huis, dat is de eerste, niet je werk, dat is de tweede, maar de plek daartussen waar je gewoon kan zijn, tussen mensen die er ook gewoon zijn. Het café, de bibliotheek, de kapper, de parochiezaal. Een plek die jou niets verkoopt en ook niets vraagt, en waar je juist daarom iemand spontaan tegen het lijf loopt.;
Ook in Brugge kennen we het probleem, zij het in een eigen variant. In onze schone stede hebben we plaats genoeg, maar het zijn vaak plekken voor de toerist, de bezoeker die op zo kort mogelijke tijd zo veel mogelijk moet consumeren. Ik ben een wezenlijk onderdeel van onze florerende terrascultuur, en ik vrees dat ik er een te groot deel van mijn maandloon aan spendeer, maar een terras is geen gemeenschappelijke plek. Het is een filter. Wie drie euro zestig voor een koffie neerlegt hoort erbij, wie dat niet kan of niet wil, hoort er niet bij. En als alle pleinen volgezet worden met tafeltjes, dan wordt de openbare ruimte zelf betalend. Wat dreigt te verdwijnen, zijn net die plekken waar we elkaar zonder reden tegenkomen en waar geen kassa tussen de mensen in staat. En laat dat nu de plekken zijn waar een gemeenschap ontstaat.
Daarom is het Masereelhuis geen bijkomstigheid, en al zeker geen luxe. Delmotte citeerde Maurits Coppieters, die op zijn beurt de Bijbel citeerde: waar het visioen ontbreekt, verwildert het volk. Vervang visioen door ontmoeting, zei hij, en je krijgt hetzelfde. Ik denk dat hij gelijk heeft, en misschien staat het er zelfs sterker mee. Het is in de ontmoeting dat het visioen pas ontstaat, niet andersom. Eerst het glas en de babbel, dan pas de droom.
Er hangt een schaduw over dit vrolijke huis, en het is goed om die te kennen, en niet weg te lachen. Het bestaat dankzij de erfenis van Nicole Van Nerum, een vrouw uit de Leuvense afdeling die geregeld naar de Brugse activiteiten afzakte, en die in 2009 op een eenzame, dramatische manier om het leven kwam. Zonder haar was er geen pand voor het Masereelhuis. Er zit iets bijna ondraaglijks in die gedachte, dat een huis dat bestaat tegen de eenzaamheid, betaald is met een eenzame dood. Ik heb haar nooit gekend, maar het lijkt me dat wie voortaan die drempel overschrijdt, haar postuum een beetje gelijk geeft.
Wat er daarna gebeurde, klinkt als een klein epos. Jarenlang leidde de afdeling een nomadenbestaan, van de Volkshogeschool naar Snuffel naar de Brug, op residentie zoals romantische schrijvers dat deden. Er was een eerste, mooiere kans, het oude metaalatelier De Meester en Zonen, de laatste industriële getuige in de binnenstad, maar die kans ging jammerlijk verloren. Delmotte haalde er nog Willem van Oranje bij: het is niet nodig te slagen om te volharden. En op het einde Beckett. Ooit geprobeerd, ooit gefaald, maakt niet uit, probeer opnieuw, faal opnieuw, faal beter. Dat is dit huis in vijf regels. Niet af, met vallen en opstaan tot stand gekomen, en trots juist op wat het gekost heeft.
Wat me nog opviel, en wat ik het belangrijkste signaal van de avond vind, is wie er allemaal stond. Mensen van het Vermeylenfonds en het Davidsfonds, de bevriende fondsen die je even goed als concurrenten zou kunnen zien en die in de plaats kwamen vieren. Het stadsbestuur. De buurt. In een tijd waarin het middenveld afkalft, telkens met de mededeling dat het maar een klein stuk is, is het geen detail dat verenigingen elkaars huizen komen inwijden. En dat een stadsbestuur zulke plekken niet als last ziet maar als bondgenoot. Het middenveld is de ruimte waar het gesprek in onze samenleving nog beleefd gevoerd kan worden, tussen mensen die het oneens zijn en toch aan tafel blijven. Dat is de infrastructuur van een democratie, even essentieel als de riolering, en even onzichtbaar tot ze breekt.
Er is ook werk aan de winkel, en ik zou geen moeilijk lid zijn als ik het verzweeg. Het fonds boomt, maar het zit ook vol babyboomers, en toen ik rondkeek behoorde ik tot de jongsten in de zaal. Dat pleit niet voor mij, het is een waarschuwing. Een huis kan een clubhuis worden, een plek waar dezelfde mensen op dezelfde stoelen dezelfde gesprekken voeren, met de deur op een kier voor wie toevallig langskomt. De remedie lijkt me even simpel als moeilijk. Geef jongeren niet zomaar een uitnodiging, maar het huis zelf: een sleutel, een avond, een muur voor hun werk. Zet ze aan de slag zoals Magrafica dat deed, dat begon in de academies en niet in de vergaderzaal. En vraag hun vooral niet om lid te worden. Vraag hun om iets te maken. Het lidmaatschap komt dan vanzelf, of het komt niet, en dat mag ook.
Dat het geen vrome wens hoeft te blijven, bewijst de activiteitenkalender van het huis trouwens meteen zelf. Op vrijdag 2 oktober strijkt er, samen met jeugdhuis Comma, een filosofisch café over democratie neer, in de marge van Magrafica. Jongeren die in het Masereelhuis met elkaar in de clinch gaan over wat een democratie waard is: er is geen betere manier om een huis in te wijden. Ik hoop dat het de eerste van vele keren is dat de jongste stem er de luidste is.
Want dat is wat een huis als dit uiteindelijk moet zijn. Geen loket dat na kantooruren sluit, maar een deur die openstaat, ook voor de nieuwsgierigen. Voortaan kan dat ook letterlijk: elke vrijdagavond en in het weekend is er de babbelbar, voor een drankje en een gesprek zonder agenda. Ik zal er zijn, kregelig en wel, met mijn juiste colaatje. Tot dan.
Tekst in eigen naam.
Tijs Synaeve

© Thomas Ducheyne