21 okt 2026

Onwetende beesten en eindeloos veel eieren

Esthetisch leven. Ik heb het geprobeerd. Het is niet dat ik ooit veel heb verwacht van het leven. Oké, het leek mij van bij aanvang een twijfelachtige onderneming, maar goed, probeer maar eens om terug te draaien. Het probleem met geboren worden, is dat je daarna eerst moet gaan leven, dit betekent dat je jezelf moet onderwerpen aan allerlei rituelen van je tijd en de gewoontes van je gemeenschap, en daarna, alsof dat allemaal nog niet erg genoeg was, gedurende een lange of korte periode moet gaan sterven. En zo wordt zelfs het nooit-gekregene uiteindelijk afgenomen door het verstrijken van de tijd. Woorden verlichten deze gebeurtenissen niet. Het is niet uitgesloten dat het schrijven mijn toestand flink verklontert. Maar schrijven is niet ondervinden, schrijven is de bodem van iedere indruk aankijken, en de drab die daar ligt, gulzig op te slokken, om deze vervolgens, na rijpe gisting, weer op te braken. Mijn onverschilligheid tegenover mijn eigen leven bereikt vandaag een nieuw hoogtepunt. En ook dat is slechts mijn indruk, mijn voorstelling.

Marijke Van Thielen (1986) is schrijver en filosoof. Ze groeide op in België en verloor in 2010 haar partner aan zelfdoding. Na vijftien jaren van wederopbouw verhuisde ze met haar echtgenoot van Nederland naar Spanje, waar hij kort daarna ongeneeslijk ziek werd, en stierf. Haar bundel Zij nam het vlees verscheen in maart 2026.

Het grootste wonder van de wereld is inderdaad de mensheid. Mensen beweren aanspraak te maken op hun eigen verzinsels, die samengevat kunnen worden als de fictie van zingeving. Elk wezen bestaat prima met of zonder zoektocht naar betekenis, maar alleen mensen happen naar lucht van zodra er wordt geopperd om de optie van betekenisloosheid te willen verkennen. De wijsbegeerte kent een lange traditie waarin aangenomen wordt dat de mens, en alleen de mens, een bevoorrechte positie inneemt in het zoeken naar zingeving. Maar elk wezen bestaat, ook zonder deze ellendige queeste.

Bestaan en redenen om te bestaan, alleen mensen poneren dat het ene niet zonder het andere kan. Ondertussen blijven ze steeds dezelfde vragen vragen, die hen vervolgens weer verwijzen naar meer van hetzelfde, namelijk naar andere woorden, die dan vervolgens verwijzen naar nog meer andere woorden. Deze techniek van wat wij geest noemen is de ultieme mislukking, want hij bevraagt vragen die alleen maar meer vragen oproepen, en verwijst ons zo terug naar onszelf, of een ander, of een idee, maar in ieder geval niet naar iets wat ooit op zichzelf kan zijn, want dat wordt niet bevraagd, dat wordt meegemaakt.

Er is geen enkel beest dat zich tot zijn eigen bestaan verhoudt, om het vervolgens tot probleem te verheffen. Het beest leeft, zonder zich eerst een cognitieve put te graven, waarin het wat later wanhopig betekenis probeert te storten. Heidegger heeft z’n stinkende best gedaan om van deze verhouding een verheven eigenschap te maken, alsof ons onvermogen ons boven het dier zou plaatsen. Maar het dier heeft geen concepten nodig om te bestaan, en ook geen verantwoording, en de mens eigenlijk ook niet. Bestaan als ervaring zonder begrip is niet onmogelijk: het kan zelfs worden gedacht, al verzet het denken zich soms irrationeel tegen deze mogelijkheid. Wanneer we terugkeren naar de dieren die we zijn, suggereert men dat er iets afgeleerd moet worden, maar Oosterse mystiek verkoopt het niet-weten als hoogste inzicht: de verlichting van dat voelend dier. Want leven is geen synoniem voor kennis, noch voor betekenis. Filosofie probeert dit dierlijke meemaken te temmen, terwijl de rationaliteit en haar grenzen misschien slechts een tijdelijke afwijking vormen binnen een vals zelf en een wereld die altijd verborgen zal blijven.

Hoe dan ook, de cirkel van het leven krijg je vroeg of laat wel op je bek geplakt. De verslagenheid en het gesprek dat ik niet voerde, … en de smetteloos witte muren van mijn woning als kaders van het banale. Het besef dat er op dit moment mensen zijn die elkaar aanspreken, en bepalen wie er vanavond de rijstschotel kookt, en of de badlakens al gewassen zijn. De gruwelijke saaiheid van het idee om steeds maar weer geloofwaardigheid te willen verkondigen. En weer een nieuwe ontdekking, in het oude slijk, de vermoeide aarde, het vergane gras, en de bergen met hun toppen en hun dalen en een overstromend meer zonder mee-etend moeras. De voortdurende drang om wederom kennis te kunnen maken met een eerder ontdekte representatie. Het ontbreken van een grote schuld, het begin van een ander verhaal, maar eenmaal bevangen door het nihilisme kan men ook door schoonheid of schuldvraag niet meer ontsnappen. In ons streven houden we te veel, of te weinig, rekening met dat enkeltje richting sterfbed. De dagen zijn beheersbaar, maar saai. Ik weet precies wat er gebeurt: ik heb het meegemaakt, ik heb het daarna gedacht, ik heb erover geschreven, en het vervolgens kapot getrapt. De cirkel van het leven krijg je vroeg of laat wel op je bek geplakt.

Probeer het esthetische leven dan, fluisteren de fantasten. Probeer schoonheid te vinden, ook in jouw lijden, vooral in jouw lijden. Ja. Zal ik beginnen bij de kamer die naar karamelvla en uitwerpselen rook? Zoet en rottend tegelijk, ergens tussen dessert en ontbinding. Laat ik beschrijven hoe subliem het was om een lichaam van bijna twee meter op te tillen, voorzichtig met zijn hoofd, met een gewicht als een omgevallen stalen pilaar tegen mijn borst gedrukt, enkel om zijn luier te verschonen. Hoe heroïsch er elk uur een eigenbereid mengsel van citroensap en vaseline in een open mond gesmeerd moet worden, zodat het slijmvlies van de mond niet uitdroogt, want dat is niet prettig sterven, zo. Is dit esthetisch genoeg? Zal ik dan de tijden die daarop volgen omschrijven, waarin ik thuiskom in een filmset van een leven dat voorbij is, met slechts een lege koelkast en een voorraadhok met kikkererwten en hondenvoer. Esthetisch leven. Ik heb het geprobeerd.

Genade dan maar. Blijkbaar te vinden in een warm samenzijn, in kinderlijke levensvreugde, in de geruststelling van een zorgvuldig uitgekozen meubilair. Er komt een oproep binnen, en al snel volgt ongevraagd advies. Een ritueel wordt aanbevolen, zoals een kaars branden of iedere ochtend om tien uur een kopje thee naast de urne. Ik wijs het af met mijn woorden: dood is dood en ik wil er ook geen gedichten over maken. Ieder woord is tijdverspilling, dat weet ik, en dat klopt, zoals ieder ritueel wel voor honderd pagina’s aan woorden telt. Maar niets is zo’n verspilling van tijd als alweer een relaas over een godsdienstige jeugd aan de rand van de provincie. Het meest kenmerkende aan de onwetende beesten die we zijn, is dat we ons nooit voor herhalingen lijken te schamen.

Mijn leven is een optelsom van negatieve breuken, steeds gebroken in min, verder in min. Ik kan mijn ervaringen blijven optellen, maar de som ervan zakt alleen maar dieper, dieper de troebele holte in. Op de bodem van de droge waterput, aan de oostzijde van de boomgaard, ligt een gevallen ei. Meer schaal dan slijm. Al die moeite voor niks, zeg ik zichtbaar aangedaan, tegen niemand, want ik loop al maanden alleen. Onder iedere dooier ligt een nieuw lijk. Een mens hoeft hiervoor niets bijzonders te ondernemen, een mens hoeft alleen maar te wachten tot wanneer de barst zichtbaar wordt.

Er rest mij geen leven meer tussen de mensen, maar wel nabij de hoge struiken en kleine dieren. Wie aan de verleiding kan weerstaan om te concluderen, wordt behalve onuitstaanbaar voor haar omgeving, ook ongrijpbaar voor een ander. Naast de waterput van het gevallen ei, sta ik te kijken, gedompeld in een sfeer die het best omschreven wordt als nostalgie voor een wereld waarin er een voorspelbaarheid kon verschijnen. Dat was, achteraf, mijn paradijs. Maar een paradijs is alleen in retrospectief bereikbaar. Ooit kreeg ik een richting, en nu is alles verloren, en daarmee ook overzichtelijk geworden.

Doorstaan, doorgaan, ik… ik moet het leven zien door te komen. Door te benoemen, door gebeurtenissen tot woorden te maken, proberen we aan ons lijden vorm te geven. Met als gevolg dat sommige woordgebruikers hun pijn makkelijker kunnen verdragen. Dit is slechts schijn. En toch, deze schijn kan men naar eigen voorkeur ophouden, want zij verleent ons afleiding van de willekeur of de verslagenheid die ons overvalt, zomaar, zonder aanleiding, en zonder toestemming. Er rest mij geen leven meer tussen de mensen.

Elk gebeuren kenmerkt zich door een variatie op sterven. De helderheid van rouw leidt tot het zien van het verval. Mensen verhouden zich tot de dood, zoals boeken begraafplaatsen voor woorden blijken. De koude schouder van de achterblijvers, het verlangen naar houvast, te vinden in eigengemaakte verhalen, in overtuigingen die zich richten op hoop, of op beter, in allerlei ficties van zingeving, tastend naar controle of een ander narratief, overal daarvan bevestiging vindend, zowel in de woorden die we gebruiken, … De woorden, ja de woorden, zij bezorgen ons de gunst van het niet stil te hoeven staan bij het absurde, dat zich toch niet laat uitspreken, hoeveel woorden je er ook tegenaan wil gooien: dat we de wereld niet kunnen kennen, of temmen, in een bepaalde volgorde, met of zonder wijsheid. En eieren, eindeloos veel eieren. Klaar om te rijpen, of om in een lege waterput te vallen.