
“Dit is geen creatieve destructie, dit is zelfdestructie.” Zo sprak Bart De Wever voor een VBO-congres afgelopen maart. Het was de perfecte zinspeling op de ideologische spreidstand waarin de Europese liberale orde vandaag verkeert. Met een knipoog naar econoom Joseph Schumpeter probeerde De Wever nog een vertrouwd concept te gebruiken onder de Belgische industriëlen. De afgelopen decennia construeerden deze captains of industry hun imaginair zelfbeeld rond Schumpeters concept. Zij waren immers de innovatieve ondernemers, die via ‘creatieve destructie’ de motor voor economische vooruitgang belichaamden. Nu blijkt meer en meer dat het hen toch ontbrak aan enig creatief inzicht. De Belgische bedrijven kreunen onder de onophoudelijke innovatiegolf van hun Chinese rivalen. De Wever wil het Belgisch kapitaal royaal uit de staatsruif laten eten om een dreigende ‘zelfdestructie’ af te wenden. Intellectueel is dit soort beleid gebaseerd op een zwaktebod, maar de politieke boodschap is duidelijk: de staat zal interveniëren om de belangen van het kapitaal te vrijwaren.

Brecht Rogissart is doctoraatsonderzoeker aan de European University Institute. Als historicus en politiek econoom spitst zijn onderzoek toe op financiële geschiedenis en crisistheorie.
Bart De Wever is, net als zijn Duitse collega, vooral bezorgd over de toekomst van het industriële complex. Dat wordt geconfronteerd met goedkope Chinese producten, niet enkel in zijn exportmarkten, maar ook op de Europese markt. In Vlaanderen is het zorgenkind voornamelijk de chemische cluster rond Antwerpen, in Duitsland de aloude auto-industrie. De Europese industrie zit geklemd tussen Amerikaanse importtarieven en Chinese import.
Politiek econoom Dominik Leusder schetst een onthutsend beeld van Duitsland: tussen 2020 en 2025 verloor het land bijna een kwart miljoen jobs in zijn industriële sleutelsectoren. In België wordt de capaciteit van de chemie- en farmasector al vier jaar onderbenut, met jobverliezen gelijkaardig aan de financiële crisis van 2008. Uiteraard blijft het nodig om de noodkreten van de Vlaamse en Europese industrie te nuanceren – het crisisdiscours helpt hen om een politieke agenda door te duwen. Maar de competitieve druk kan ook niet ontkend worden.
De hoofdbeklaagde is volgens Leusder evenwel niét China, maar de Duitse elites. De politici waren vooral bezig met besparen in plaats van investeren. De Duitse industrie zat comfortabel in zijn positie, zonder zich al te veel zorgen te maken over snel veranderende productieketens. Hetzelfde verhaal vinden we ook in Vlaanderen terug. Decennialang werden winsten opgepot of versluisd richting aandeelhouders zonder innovatie te stimuleren. Het Belgische of Duitse beleid, of het Europese beleid in toto, heeft duidelijk gefaald.
Op een onbeholpen manier moet De Wever laveren tussen verleden en heden. De N-VA beweerde steeds het idee van een kleinere staat te verdedigen. De staat moest vooral een adequaat wetgevend kader voor de marktwerking creëren, liefst met een gestuurde afbouw van de sociale rechten van de werknemers, maar directe staatssteun aan het kapitaal was uit den boze. Deze visie was nog meer hegemonisch op Europees niveau. Een volledige generatie eurocraten is opgegroeid met het idee dat staatssteun een anachronistisch relict uit de twintigste eeuw was. Het Europese recht moest vooral de marktcompetitie binnen de integrerende markten bevorderen. Logge grootspelers waren daarom taboe, monopolies schrikbeelden uit het verleden. Om de markt te vrijwaren, werden ze opgebroken. Enkel zo bleven alle marktspelers alert en kon ‘creatieve destructie’ een realiteit worden.
Nu wordt Europa geconfronteerd met een crisis die zou resulteren in ‘zelfdestructie’. Kan de Europese politieke elite haar beleid van marktneutraliteit volhouden, nu de Europese industrie aan de verliezende hand is? Of schudt ze haar oude ideologische veren af? Op Belgisch niveau kantelt Arizona richting extra steunmaatregelen. Her en der maakte ze al extra potjes geld vrij, zoals een extra dividend uit Belfius om de defensie-industrie te stimuleren. Op Vlaams niveau heeft Diependaele een vijfjarig investeringsplan van twee miljard aangekondigd. Arizona doet haar best voor het industriële kapitaal.
De coalitie doet dit wel erg voorzichtig. De eerste prioriteit van Arizona is immers om de begrotingstekorten in te perken. Die rol belemmert haar om voluit de portefeuille open te trekken. Tegelijkertijd observeert men het feit dat de N-VA nieuwe beleidsdomeinen opent die decennialang geneutraliseerd waren binnen de neoliberale consensus. Het industriële beleid is hiervan het beste voorbeeld. Arizona zal publieke investeringsmaatschappijen zoals de SFPIM opnieuw inzetten om strategische investeringen mogelijk te maken. De N-VA focust hierbij vooral op defensie, wat de samenleving niet ten goede komt. Maar de partij wil ook structureel ingrijpen in de energiesector om bedrijven drijvende te houden. Kortom, een directe staatsinvloed op de Belgische investeringen is niet langer uit den boze.
Hetzelfde zien we gebeuren op Europees niveau. Aan de ene kant blijft de N-VA voorstander van een strak begrotingskader en een gelimiteerde Europese begroting. Maar ook hier heropent de N-VA een onderwerp dat ze voorheen doodzweeg: het handelsbeleid. De Wever stuurt, in lijn met de noodkreten van de industrie, aan op een meer protectionistische handelspolitiek. In de praktijk fulmineert hij voornamelijk tegen ‘Chinese dumpingpraktijken’, terwijl in realiteit de Chinese economie duidelijk in staat blijkt te zijn om hoogwaardige goederen te produceren. De N-VA steunt nu op Europees niveau een soepelere visie over staatssteun aan de industrie. De partij ijvert evenwel voor doorgedreven Europese coördinatie om te kunnen opboksen tegen de vele miljarden die Frankrijk en Duitsland op tafel kunnen leggen om de eigen industrie bij te staan.
Wat is het progressieve antwoord op deze verschuivingen? Een gemakzuchtig antwoord zou zijn om de bal ironisch terug te spelen naar de Europese industriëlen. De markt is meedogenloos en ze straft de luiaard, niet? Waarom zou de belastingbetaler moeten opdraaien voor de inactiviteit van industrieën die zich niet hebben aangepast aan de eenentwintigste eeuw? De geschiedenis heeft links gelijk gegeven, maar dit brengt ons nog niet tot een alternatief. De ideologische axioma’s zijn geleidelijk aan het sneuvelen. Dat geeft aanleiding tot noch vreugde noch huivering. De realiteit is dat een nieuwe wereld al in de maak is. De vraag is wat we ermee willen doen.
Nieuwe prioriteiten kunnen we verzamelen rond drie strijdpunten: de groene transitie laten versnellen, de wereldvrede bewaren en de sociale zekerheid beschermen. Deze drie speerpunten draaien in meer of mindere mate rond de vraag hoe we de globale markten kunnen coördineren, die zich kristalliseren rond de complexe relatie tussen het industriële Westen en de Chinese uitdager.
De Chinese technologie staat meer en meer centraal in de implementatie van de groene transitie. De import van Chinese windmolens, zonnepanelen en batterijen is onderdeel van het antwoord. Daarnaast kunnen we een deel van de productie in Europa verankeren, onder andere via kwalitatieve Chinese investeringen. Een gedeeltelijke afscherming van de Europese markt is mogelijk, maar in ruil moet de industrie haar maatschappelijke verantwoordelijkheid opnemen. Haar gepleegde obstructie van de Europese klimaatagenda maakt net dat we blijven ronddwalen in het fossiele verleden. De wereldvrede kan pas worden bewaard wanneer we verhinderen dat de economische competitie met China omslaat in militaire spanningen. Het economische gewicht van China is een fait accompli, waardoor nieuwe internationale akkoorden noodzakelijk zijn om de globalisering te laten werken voor iedereen. Anders zal de wereldmarkt fragmenteren in antagonistische blokken. Regionale conflicten kunnen dan snel ontaarden. Een nieuw internationaal economisch evenwicht gaat hand in hand met het behoud van de Europese sociale welvaartstaten. Een alternatieve politiek ondersteunt de binnenlandse effectieve vraag naar goederen en diensten, die synchroon verloopt met een nieuw elan op de wereldmarkt.
De Wevers vernieuwde coalitie met de Europese industrie stuurt aan op het afwentelen van de globale competitieve druk op werknemers en de planeet. De Wever neemt daarin meer politiek initiatief dan onder de neoliberale consensus mogelijk was. Laten we die heropening aangrijpen om voor een progressief alternatief te pleiten.