
Het is zeer duidelijk dat we zowel op het Vlaamse als op het federale niveau te maken hebben met besparingsregeringen. Deze besparingen laten zich overal voelen. Ze worden voorgesteld als noodzakelijk – er is zogezegd geen alternatief – maar ze zijn duidelijk ideologisch gedreven. Ook in de sociaal-culturele sector is dat pijnlijk zichtbaar. De adviezen van de beoordelingscommissie voor het sociaal-cultureel volwassenenwerk werden selectief gevolgd. Organisaties zoals Vrede, GetBasic of Labo kregen – ondanks positieve adviezen – geen of veel minder subsidies dan aanbevolen. Sommige van deze verenigingen kregen daarbij het zwaarwichtige verwijt gelinkt te zijn aan extremisme. Geen enkele organisatie staat echter onder verdenking. Laat staan dat een ervan in een rechtbank werd veroordeeld. Vanuit juridisch standpunt kunnen we eerder gewag maken van administratieve willekeur omfloerst met stemmingmakerij. Het is dan ook logisch dat de getroffen partijen naar de rechtbank stappen om deze beslissingen aan te vechten.

Karim Zahidi is de voorzitter van het Masereelfonds. Hij is filosoof en wiskundige, docent wetenschapsfilosofie en logica aan het Centrum voor Wijsgerige Psychologie, Universiteit Antwerpen.
Binnen de Vlaamse meerderheid zijn er dus politieke krachten te vinden die kritische middenveldorganisaties liever kwijt dan rijk zijn. Juristen stellen vast dat de werking van de rechtsstaat in het gedrang komt wanneer de voltallige Vlaamse regering, en in het bijzonder de bevoegde minister, onafhankelijke adviezen zonder blikken of blozen naast zich neerlegt. Een werkende rechtsstaat verhindert net dat aan politiek opportunisme de vrije baan wordt gegeven om een beleid te voeren gestoeld op een soort revanchisme met autoritaire trekjes.
Maar de besparingsdrift treft niet alleen kritische middenveldorganisaties. Ook wetenschappelijke instellingen zijn niet veilig. Zo wordt budgettair zwaar ingegrepen op de werking van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Letteren. Het is alsnog onduidelijk of deze academie überhaupt nog in staat is om te functioneren onder deze omstandigheden. Dit is verrassend, vermits de Vlaamse regering voortdurend hamert op het belang van de Nederlandse taal. Dit genootschap heeft net als missie om “de studie, de beoefening en de bloei van de Nederlandse taal en letteren” te promoten. Deze regering zou net een organisatie die leesbevordering stimuleert, een canon van de Nederlandse letteren opstelt en tal van initiatieven ontwikkelt om de Nederlandse taal te versterken, moeten ondersteunen. De Vlaamse uitvoerende macht beschouwt een van onze landstalen vooral als een middel om haar burgers te disciplineren en te culpabiliseren. In de huidige debatten fungeert taal als een veelgebruikt markeringsinstrument. Wie onvoldoende Nederlands spreekt, is medeschuldig aan zijn of haar sociale achtergesteldheid en toont een gebrek aan motivatie om zich te integreren. Vlaamsgezinde politieke krachten zijn dus hun eigen geschiedenis vergeten. Zij hadden steeds gesteld dat de verdediging van het Nederlands als cultuur- en wetenschapstaal een emancipatorische rol kan spelen. Taal wordt op die manier politiek geïnstrumentaliseerd en gereduceerd tot uitsluitingsmiddel.
Ook de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen en Kunsten wordt op droog zaad gezet. Deze academie heeft als doel wetenschap en kunsten in Nederlandstalig België te bevorderen. Zij vindt haar oorsprong, zoals haar tegenhangers in andere landen, in het Verlichtingsdenken. Deze erfenis van de Verlichting stelt kennis, onderzoek en artistieke creatie centraal als fundamenten van een kritische, democratische samenleving. Maar vandaag lijkt haar nalatenschap geen waarde meer te bezitten voor deze meerderheid. Instellingen die wetenschap en kunst ondersteunen, worden gereduceerd tot kostenposten. Wat vroeger werd beschouwd als een noodzakelijke investering in het intellectuele en culturele kapitaal van “gansch het volk”, wordt nu afgeschilderd als dure ballast.
Dit wijst op een fundamentele verschuiving. Taal, wetenschap en kunst waren voorheen instrumenten van emancipatie. Vandaag worden ze onderworpen aan de neoliberale logica, waarin alles moet worden verantwoord in termen van marktwaarde, efficiëntie en meetbaar resultaat. Wanneer cultuur en wetenschap hun kritische, onafhankelijke en democratische functies willen bewaren, dan komen ze onvermijdelijk in botsing met die logica. De uitvoerende macht besluit dan maar op eenzijdige autoritaire wijze tegenstemmen te liquideren: buitensporige administratieve controle, censuur via subsidies en ideologische delegitimering van gegronde kritiek.
Een recente beslissing in het mediaveld illustreert de tendens naar autoritaire besluitvoering nog sterker. Zo kreeg Apache geen subsidie van de Nationale Loterij, hoewel haar onafhankelijke comité groen licht had gegeven. De handtekening van de desbetreffende minister is in dit geval altijd een formaliteit. Onafhankelijke media die hun taak als vierde macht ernstig nemen, media die politieke schendingen van de rechtsstaat tegen het licht houden, worden zo doelbewust geviseerd. Een democratie die haar kritische pers ondermijnt, ondermijnt helaas zichzelf.
We zien steeds duidelijker een vorm van autoritarisme dat zich democratisch noemt: “We wonnen de verkiezingen, dus we hebben de macht en daarom beslissen we zonder overleg”. De meerstemmigheid van de democratie, en het politieke conflict dat daar noodzakelijk mee samenhangt, wordt van tafel geveegd. Het is geen toeval dat dit gebeurt onder het mom van de fetisj van de begrotingsdiscipline. Het neoliberale denken – waarin de overheid zich moet beperken, publieke middelen minimaal moeten blijven en de markt maximaal moet functioneren – leidt automatisch tot een politieke context waarin democratische tegenmacht als hinderlijk wordt ervaren. Wat niet rendeert of te kritisch is, wordt geschrapt. Wat niet past binnen het beleidskader, wordt weggezet als extremistisch of onbetrouwbaar.
Tegenover dat autoritarisme staat de nood aan sterker democratisch verzet. Een democratie heeft nood aan een parlement dat controle uitoefent op de uitvoerende macht en niet louter fungeert als stemmachine. Dat geldt evenzeer op lokaal niveau: gemeenteraadsleden moeten waakhonden van het college van burgemeester en schepenen zijn, niet hun applausmachine. Buiten het parlement blijft de rol van het middenveld essentieel. Critici monddood maken is nefast voor de democratie; een divers, onafhankelijk en levendig middenveld is de zuurstof van de samenleving. Cultuurinstellingen, academies, kunstorganisaties en kritische media spelen daarin een onmisbare rol. Ze bieden ruimte voor dialoog, verbeelding, kennis, debat en verzet. Precies daarom worden ze geviseerd. Precies daarom moeten we ze verdedigen.