
De wereld was altijd al een hel. Vraag dat maar aan mijn hartendiefje Schopenhauer. Ik droom vaak over hoe krankzinnig wij blijven volharden in onze eigen dwaasheid. Over hoe er een verrassingsfeest wordt georganiseerd voor iemands vijftigste verjaardag, waarbij je je daar, in een kring van plastic stoelen, met goedkope drank tot een toestand van collectieve wilsonbekwaamheid werkt. En hoe je er dan achteraf over spreekt, als een memorabel, warm samenzijn. Wij zingen, wij dansen, en vergeten dat we verblijven op een razende, op drift geraakte vuurbal, in een uitdunnende atmosfeer, te midden van organismen die elkaar vrezen, opvreten of bespringen. Roofdier, prooidier. Driften. Angsten. De vanzelfsprekendheid waarmee we onze toestand ontkennen, is de ultieme waanzin.

Marijke Van Thielen (1986) is een Belgische schrijver en filosoof. Ze schrijft essays en opiniestukken voor Belgische en Nederlandse kranten en weekbladen (waaronder Aktief en De Tijd). Haar werk verscheen in meerdere literaire en maatschappelijke tijdschriften en boeken. Tot eind 2024 woonde ze in Nederland; sinds kort verblijft ze in het zuiden van Andalusië, samen met haar echtgenoot en twee ruwharige teckels. In het najaar verschijnt haar debuutbundel met literaire essays.
Thomas Ligotti, aan wie ik mijn nachtmerries te danken heb, spreekt over de mens als brokken rottend vlees op uiteenvallende beenderen. Emil Cioran noemde ons wandelende lijken, die zich voeden met rottende materie. De aarde is een planeet van ontbinding, aangekleed met allerlei soorten skeletten en huiden, een scala aan uitwerpselen, slijmvliezen en sentiment. Alles jeukt, vreet, neukt en sterft in onderlinge strijd. Of zoals Ligotti het zegt: “Everything tears away at everything else … forever”.
In mijn dromen zie ik de mensheid bewegen zoals mijn dronken oudtante tijdens een spontane uitbraak van de polonaise in de danszaal voor bejaarden: volgzaam, zwetend, zonder vragen. De grijze vloerbedekking is vervangen door de kolkende vurige massa metaal, een realiteit die slechts tientallen meters onder onze voeten zit. Alleen in mijn dromen kan ik onze toestand scherp zien, overdag ben ik te druk met mijn eigen voorstelling. Het zijn echter niet mijn nachtmerries waaruit ik niet kan ontsnappen. En dan komt er een optimist me vertellen dat we aan dit alles ook nog betékenis moeten geven. Hij doet aan arbeid en aan godsdienst, tactisch tegenstemmen, en goedkope cocaïne, in het weekend.
De betekenis die deze meerwaardezoeker aan deze pijnlijke willekeur toekent, noemt hij zingeving. Zelfs Prediker lacht hem uit: ijdelheid der ijdelheden. Alles is ijdelheid. “De mens is in de grond van de zaak een wild, angstaanjagend dier. We kennen hem alleen beteugeld en getemd, in de toestand dus die beschaving wordt genoemd. Daarom schrikken we zo van incidentele uitbarstingen van zijn ware aard. Maar waar slot en grendel van de heersende rechtsorde wegvallen en anarchie haar intrede doet, daar komt pas aan het licht wat de mens werkelijk is”, aldus Schopenhauer.
Zet twintig ratten in een te kleine kooi en ze vreten elkaar op. Zet vijfhonderd Nederlanders op een verlaten cruiseschip en ze slaan elkaar de schedel in voor het laatste chocoladebroodje, nog voor het derde ontbijtbuffet. Op de Heizel en in Liverpool werden tientallen voetbalfans verpletterd, door een opeenhoping van mensen en massapaniek. Tijdens de coronapandemie werd er in de supermarkt gevochten om toiletpapier. Volwassen mannen trokken voordeelverpakkingen uit elkaars karretje en kregen ruzie. De minister-president moest via de televisie oproepen om géén toiletpapier te hamsteren. Volgens Schopenhauer gaat er in ieders hart een wild dier schuil, dat enkel op zijn kans ligt te wachten om te kunnen razen en tieren, omdat het de anderen graag pijn wil doen en hen zelfs met plezier zou vernietigen als ze hem iets in de weg zouden leggen.
De meeste mensen zullen zeggen dat de meeste mensen deugen. Die overtuiging houdt stand zolang er handhaving is, en voldoende ruimte. Maar zodra de mens opgenomen wordt in een massa zonder externe norm, hervalt hij in zijn wilde roedelvorm. En de roedel wordt met geweld verdedigd. Geïndividualiseerde mensen worden barbaren in groepen, aldus Gustave Le Bon. Ervaart de samenleving reële of vermeende schaarste? Dan is er strijd. De beschaving blijkt niet meer dan een conserveringslaag, zoals de pekel rond buikspek. Zodra die bescherming ontbreekt, zet het ontbinden door. Zonder azijn wordt alles weer vlees. En het vlees zelf? Het vlees is zwak, vraag dat maar aan elke religie. Het vlees weet dat het slechts een tussenfase is: tussen honger en verrotting.
De laatste tijd hou ik mij bezig met pekelen. Dat komt omdat ik een Noord-Europeaan ben die in Andalusië ‘een eenvoudig leven’ zocht. Een leven zonder vitamine D-supplementen, voortschrijdend inzicht van iemand met een bachelor bedrijfskunde en een spinningklas om 20u bij 12 graden en motregen. Vandaag werk ik met eigen teelt: lavendel, munt, citroenen, sinaasappels, courgettes, en komkommers van de buren. Je zou kunnen zeggen dat ik aan het productieland ontsnapt ben. Voor meer traagheid, moest ik hier zijn. Er wonen maar zes Belgische of Nederlandse stellen in dit dorp, dat ongeveer tweeduizend inwoners telt. Dat zijn er minstens drie teveel, maar het is niet anders. Hier leeft een bevolking die liever zes keer naar het gemeentehuis wandelt met een verkreukeld briefje vol koffiekringen dan een document te moeten uploaden op het portaal van de overheid. Dat maakt hen betrouwbaarder dan mensen die het de hele tijd hebben over ‘samen vereenvoudigen’. Er heerst hier geen achterdocht tegenover de staat. Alleen een diepe, onuitgesproken verachting voor alle vormen van administratie.
Andalusië is een van de armste regio’s van Spanje. Er is veel verborgen armoede, zichtbare werkloosheid, en een informele economie waarin mango’s soms meer waard zijn dan euro’s. Toch is de armoede hier minder vernederend dan de havermelkelite in Amsterdam. Daar moet je aan hot yoga doen, je innerlijke kind helen, en een iced matcha van twaalf euro beschouwen als beloning voor je harde werk. Hier moet je gewoon je tuin onderhouden, drie woorden Spaans spreken en belangstelling tonen voor de kleinkinderen. Er zijn geen statussymbolen, maar wel objecten die aftakelen. Alles hier is bedoeld om langzaam kapot te gaan.
Toen mijn man ernstig ziek werd, kwam de hele buurt langs. Met zelfgemaakte gazpacho, met groenten uit hun moestuin, met verhalen over hoe lang iemand nog geleefd had met een soortgelijke diagnose. Verschillende schoonzonen hielpen met het zware werk van de boomgaard. Iedereen wist wat nodig was, mijn roestvrij binnenwerk werd er best wel week van. Niemand heeft een elektrische step. Niemand stelt zich voor met ‘ik werk in de duurzaamheid’. Niemand praat over zelfactualisatie. In Nederland strijdt men steeds naar meer, in de kleine dorpjes in het zuiden van Europa volstaat het om iedere dag de kippen water te geven. Misschien heeft men zich hier nog niet volledig overgegeven aan de onttovering waar Max Weber over schreef.
Wat men hier beter lijkt te begrijpen, of te praktiseren, is medelijden. Niet de praktische, pathetische variant die men in het noorden verwart met gehandicaptenzorg, incontinentieluiers of het recht op euthanasie, maar medelijden zoals Schopenhauer het bedoelde: de onmiddellijke herkenning van het lijden van de ander. Er is geen verhevenheid, geen leedvermaak, geen spektakel. Alleen het gedeelde inzicht dat ieder lichaam aftakelt, en dat het weinig moeite kost om onderweg een zak komkommers af te zetten bij het erf van een lijdend ander. Voor Arthur Schopenhauer is het medelijden de grondslag van de moraal. “Een goed hart hebben,” schrijft hij, “wil zeggen een intens, universeel medelijden voelen met alles wat leeft, maar in de eerste plaats met de mensen, …”.
Je kunt naar Andalusië verhuizen, en lavendel uit eigen tuin snijden. Je kunt boerenkool ruilen voor mango’s, en beton voor witte kalksteen. Je kunt af en toe zelfs geloven dat het eenvoudige leven nog bestaat, ergens tussen het binnenhalen van de oogst en een dode muis vissen uit het zwembad. Je kunt het medelijden van de Andalusiër voelen, en waarderen. Maar ook onder de zuiderse zon, valt de nacht. En ook in een slaapkamer die doet denken aan een perfect gestileerde kloostercel – een soort ELLE Wonen voor Spaanse monniken – schudt de droom je wakker.
De nachtmerrie brengt ons wat we overdag onderdrukken. Zelfs hier, tussen de citroenbomen, hoor ik ’s nachts de aarde schuren, en de kolkende hitte borrelen. De soorten verschijnen, nietsontziende vleesmachines die alles vreten. Ook het zachte, ook het rottende. Het eenvoudige leven kun je sprayen als duur parfum, om de lijkgeur te maskeren. Of je leert noordelijk ademen, in balans en met verbinding. Maar je weet: het is slechts pekelsap. En als je straks droomt, vervolgens wakker schrikt, de voorstelling stilvalt en iedereen naar beneden kijkt terwijl het azijn opdroogt, wat zie je dan? Een verrassingsfeest van vuur, metaal, en angst.