
Toen tijdens mijn jeugd bepaalde besognes niet voor kinderoren waren bestemd, werd er plotsklaps gekonkelfoesd in het lokale dialect. Dat terwijl de voertaal binnen het gezin doorgaans het Algemeen Beschaafd Nederlands betrof, hoe kunstmatig en hoogdravend dit register ook werd ervaren. Door de oren te spitsen en hen vanuit het oogwit gade te slaan, kon ik heimelijk flarden opvangen uit de beroerde leefwereld der volwassenen, die me ontiegelijk meer boeide dan die van mijn leeftijdgenootjes met hun banale beslommeringen. Die ruggespraak bleek vaak te handelen over de zogenaamde drie G’s – een constante in de geschiedenis van de menselijke beschaving – met uitlatingen zoals: “Dat is toch gewoon een kwestie van gezond verstand”, “Dat is toch logisch” en “Dat weet toch iedereen”. Waarlijk “gezond” bleken de pragmatische oplossingen ten aanzien van complexe problematieken vaak niet te zijn. Wat men in bedekte bewoordingen besprak, leidde tot beslissingen “Over de hoofden heen”, “Voor het eigen goed” of zelfs “In het algemeen belang”. Dat paternalistisch denken en handelen – gestoeld op geïnternaliseerde, onuitgesproken en ongeschreven gewoontes, tradities, normen en waarden – duiken niet alleen geregeld op in de vox populi. Politici en ideologen lijken er zich vaak van te bedienen om de eigen belangen door te drukken.

Brecht Bostyn is master in de Nieuwste Geschiedenis (UGent) en specialiseerde zich in de fotografiegeschiedenis. Hij was ruim 10 jaar actief als collectiebeheerder en curator in het FoMu Antwerpen en publiceerde in die hoedanigheid verschillende kunstboeken en catalogi. Zijn belangstelling is breed uitwaaierend; met bijzondere interesse in mentaliteitsgeschiedenis en straatfotografie.
Déjà-vu
Paradoxaal genoeg beroept men zich niet zelden op het “gezonde (boeren)verstand” of de “common sense” om beleidsmaatregelen en denkbeelden – die vaak nét ingaan tegen het algemeen belang – kracht bij te zetten, tegenstanders de mond te snoeren en uitsluitingsmechanismen te legitimeren. Op de vraag naar het “waarom” wordt laconiek geantwoord met: “Dat is toch de evidentie zelve”, “Daarom”, “Omdat het nu eenmaal zo moet”, “Het kan niet anders”, “Dat is toch logisch”, “Dat is altijd zo geweest” en “Dat weet toch iedereen?”.
Geaffecteerd door zorgwekkende maatschappelijke ontwikkelingen en ronduit idiote, populistische oneliners, word ik na intense déjà-vu’s geregeld Proustiaans teruggeworpen naar prille jeugdervaringen, die retrospectief bekeken bepalend zijn geweest voor mijn persoonlijke ontwikkeling en visies op de wereld als schouwtoneel. Die terugblik lijkt ook steeds weer voortschrijdende inzichten te genereren. Eenzelfde ervaring heb ik met het bekijken van foto’s, met de vreemde gewaarwording dat de herinnering zonder het beeld zelf wellicht niet meer zou bestaan of zou zijn verbannen naar het onderbewuste. Het zet tevens de deur op een kier naar vrije associaties over het land en zijn bewoners, waarvan ik oprecht heb proberen te houden. Helaas lijk ik daar steeds minder goed in te slagen.
Een eigen universum
“Kom mee manneke, ik ga u iets tonen”, vertrouwde de landman mij met een heimelijke gremellach toe, en troonde me zonder verdere commentaar mee naar een voor die tijd moderne varkenskoterij met automatische voederinstallatie. Het was een gemengd, middelgroot landbouwbedrijf dat strategisch lag tussen de Schelde en de gekromde ruggen van de Zuid-Oost-Vlaamse getuigenheuvels. Sedert de jaren 1950 was het bedrijf organisch gegroeid met de meest onvoorstelbare, haast surrealistische vormen van zelfbouw. Nog steeds sta ik versteld van de spitsvondigheid waarmee landbouwers eenvoudige oplossingen bedenken voor praktische problemen.
Het gegeven vormde een eiland, een soort besloten universum dat niet gericht was op de buitenwereld, tenzij voor het eigen profijt. Daarbinnen werd hard gewerkt in ’t zweet des aanschijns. Men klaagde weinig en nam het niet zo nauw met overheidsdirectieven. Als er heimelijk-ver-weg van nieuwsgierige blikken gefoefeld kon worden, dan liet men dat niet na. Deze – op vele vlakken nog zelfvoorzienende levenshouding – bleek hardnekkig intergenerationeel door te werken in haar pragmatisme en hypocrisie. Zo verkocht de naar “de Walen” uitgeweken tante D. zaliger “verse eieren van eigen kweek”; die ze nota bene bij een legbatterij inkocht. Al scharrelden en kakelden er wel wat kippen op het erf om de authenticiteit te laten uitschijnen. Als ze daarop werd gewezen, luidde het legitimerende antwoord steevast: “De Grote doen dat ook en het zijn lekkere eiers zulle”.
Binnen die mentaliteit werd emotionele beleving doorgaans onderdrukt; wat op de lange termijn geheid tot gistende beerputten en “gezinsverbijstering” kon leiden. Intellectuelen werden dan weer met achterdocht en meewarigheid benaderd. Alsof ze van een andere planeet nedergedaald waren om “moeilijk” of “artistiekerig” te komen doen met hun afwijkende ideeën over mens en maatschappij. Na schimmige transacties werd rond de keukentafel tussen pot en pint tot groot jolijt nagekaart over de manier waarop men in combine “De Staat” alweer een pad in de korf hadden weten te zetten. De vruchten werden geparkeerd in het buitenland en het knippen van coupons was zowat de enige uiting van Sehnsucht. De boerin – die leefde om te werken, daar geen alternatief voor zag en haar neurotisch verstand bijna verloor toen ze niet meer kon en hoefde – werd welhaast manisch-euforisch bij deze kapitaalsaccumulatie. Pas dan kon ze worden verleid om “iets te consumeren”, wat doorgaans werd beschouwd om louter “door ‘t keelgat te gieten”. Geld leek in eerste instantie dan ook geen middel maar een doel te zijn. Deze perceptie was slechts ten dele waar. Geplukte vruchten dienden “op te brengen” en tastbaar te worden gemaakt in het kader van een soort persoonlijk ondernemerschap. Wie zich niet dagelijks sadomasochistisch wilde afbeulen, werd reeds snel omschreven als “leegganger”.
Er werd enorm zuinig geleefd en niets werd weggegooid. Dat was echter geen proeve van ecologisch bewustzijn, want tegelijk had men geen scrupules om pakweg “vuurtje stook” te houden. “Genieten” was uit den boze. Dat was welhaast iets zondigs decadent, want in hun optiek bleef daar “niets tastbaars” van over. De katjes werden echter in ‘t donker geknepen. Naar de buitenwereld toe werden rijkdom en succes zelden geëtaleerd, want “de mensen” zouden wel eens vragen kunnen stellen. Existentiële reflecties over het bestaan waren even zeldzaam als gebaren van tederheid. Men was ervan overtuigd onderworpen te zijn aan Hogere Machten waar niets tegen te beginnen viel. Bij teveel oppositie werd Onze-Lieven-Heer er nog bijgesleurd; al was de godsvrucht bij diegenen die zich van de Heiland bedienden niet van dien aard dat men onbevlekt de hemelpoort zou mogen betreden.
Hardvochtigheid
Mijn grootvader was een gedrongen, breedgeschouderde man, met handen zo groot als kolenschoppen en een door couperose geteisterd gelaat van het vele beulswerk in weer en wind, die met zijn dwingende, helblauwe ogen disciplineren kon. Telkens wanneer de heilige middagrust verstoord dreigde te worden, kon men hem Elsschotgewijs stilzwijgend en vervaarlijk in het kolenvuur zien staren, vooraleer in Streuveliaanse woede uit te barsten. Als oudste kleinkind vreesde ik de man echter niet – op en rond het boerenbedrijf genoten wij een ongekende vrijheid tot exploreren en bijdehands bezig zijn – maar ik was toch beducht voor dergelijke interventies omwille van een latent sadisme, voortspruitend uit persoonlijke frustraties die doorgaans op boerderijdieren werden geprojecteerd.
Een dier representeerde slechts een financiële waarde, een ding dat met willekeur mocht worden behandeld. Aan verantwoord steriliseren werd niet gedacht. Katers castreerde men – zoals biggen – eigenhandig in de stookplaats, waar ook de slachter vlees van eigen kweek kwam versnijden. De kroonjuwelen werden, na aanbrengen van enig “roodsel”, gezwind door mémé met een Solingen verwijderd en als lekkernij aan de honden geworpen. Kattenwelpjes werden naar de eeuwige jachtvelden gezonden na een welgemikte tik tegen een stalmuur en in de beerput gedeponeerd. “Vals” geworden honden kregen de kogel. De aberratie werd immers toegewezen aan de inherente eigenschap van het dier, het had “’t zot” in de kop gekregen. Vergeten werd dat de boer geregeld zijn frustraties botvierde met een onverhoedse stamp met de gummilaars. Het dier was dus schuldig en verdiende de ultieme straf. Dan kwam nonkel F. – tevens “agriër” met een karakter gehouwen uit porfier – uit de Zuid-Oost-Vlaamse onderbuik aangereden in zijn in ‘t zwart betaalde Mercedes 220E, haalde onverstoorbaar zijn tweeloop uit de koffer en legde en plein public het nietsvermoedende dier in koelen bloede om. De boer wist maar al te goed dat ik deze praktijken moreel veroordeelde, en in plaats van hem bij te treden in zijn sadistisch-sardonisch, gelach, kwam tot zijn grote verbazing afkeuring uit mijn kindermond, wat bij hem schaamte leek op te wekken. Of je iemand een geweten kan schoppen, daar ben ik echter niet zo zeker van.
De stal
De aftandse transistorradio van het merk Optalix kweelde “Beat it, beat it” toen de boer stilzwijgend enkele hekjes slechtte, waardoor de bewegingsruimte van de potige vleesvarkens drastisch werd ingeperkt. Vrijwel onmiddellijk ontstond agitatie onder “de beesten”. Pas toen ze tot bloedens toe in elkaars krulstaarten beten, werd ingegrepen. De gemoederen bedaarden voordat “Wacko Jacko” zijn laatste noten had gedebiteerd. De boer liet zich laconiek ontvallen: “Doe dat met mensen en ze doen ook zo.” Om vervolgens met pretoogjes eraan toe te voegen: “Als we het voer nu ook nog eens zouden verminderen, dan zoud ge pas wat zien.” Het leek op een uitnodiging tot medeplichtigheid om de voor hem gekende uitkomst nogmaals in de praktijk te brengen. Dat stuitte echter op onwelwillendheid van mijnentwege en werd snel gevolgd door: “Maar dat gaan we niet doen …” Behoorlijk onder de indruk van de scène, liet hij mij op de terugweg naar het woonhuis nog een schrikdraad aanraken, waarvan ik niet vermoeden kon dat die onder spanning stond. Nog inwendig naschokkend, zag ik tijdens het avondmaal weer de heimelijke gremellach verschijnen wanneer onze blikken elkaar kruisten. Ik ging werktuiglijk door met het oplepelen van mijn karnemelkbrokkenpap, die ik doorspoelde met Piedboeuf tafelbier dat we in enkele glazen dienden te delen. Enkele keren keek ik priemend terug, waarop hij zijn blik voorgoed afwendde.
Sociale matrix
Er valt weinig te juichen in mijn land, mijn betonnen woestijnland, mijn geanonimiseerd baanwegen Vlaanderenland. We doorkruisen een postzegelgrote ruimte van historisch gegroeide hoge bevolkingsdichtheid, dichte suburbanisatie en vermassacreerde ruimtelijke ordening. Europeanen die hier uit financiële noodzaak in pakweg de exportsector moeten werken, spreken over hoe dit stukje tochtgat een hallucinante, welhaast dystopische aanblik biedt. Evengoed zijn ze verbijsterd over de inboorlingen die in steeds toenemende mate een welhaast chronisch opgejaagde en afgepeigerde levensstijl op nahouden. Er is dan ook niemand buiten onze regiogrenzen die het idee oppert om hier een vakantiehuis neer te poten. Ingeweken in de visbokaal omdat het tijdelijk moet, niet omdat men het wil.
De controledrang en -dwang van overheidswege neemt stilaan panoptische allures aan in een angstklimaat, waarbinnen schuld en boete voor modale burgers op disproportionele wijze centraal zijn komen te staan. De tolerantie en solidariteit tussen de burgers is als een gevolg daarvan gevoelig afgenomen en de verzorgingsstaat wordt in sneltempo afgebouwd om plaats te maken voor “de actieve welvaartstaat”. De norsheid, de agitatie, de agressie, de “gezinsverbijstering”, het escapisme en de criminaliteit zijn dan weer exponentieel toegenomen. Anderen wentelen zich dan weer in zelfgenoegzaamheid vanuit een economisch veilige positie. Het hyperneoliberale, naar beneden stampend beleid van de woestijnregering zet de sociale matrix echter helemaal op nul. De verdeel-en-heers-strategie binnen de neoliberale strafstaat heeft de bevolking uiteengespeeld en het middenveld staat zwaar onder druk. Men gunt elkaar het zonlicht niet meer in de ogen, intergenerationele spanningen en klassentegenstellingen groeien. De boomers zien hun gekende en bekende wereld definitief voor de bijl gaan en kunnen het moeilijk verkroppen dat hun strategieën geen hout meer snijden. Het blijkt in Vlaanderen zelfs heel moeilijk geworden om elkaar zonder achterdocht te groeten in de publieke ruimte. Wallonië moet en zal inzake mentaliteit dan weer “gelijkgeschakeld” worden met Vlaanderen.
De nevelstad groeit
Onze publieke ruimte is georganiseerd rond achterhaalde infrastructuur – die ondoordacht en in ijltempo wordt uitgebreid – waarbinnen velen zich met de auto moeten verplaatsen om de dagelijkse dwingelandijen na te komen en in de levensbehoeften te kunnen voorzien. We leven bovendien in een land waar basisproducten worden belast als luxegoederen. Voor velen bestaat er al jaren geen ademruimte meer om te leven in plaats van mechanisch te overleven. Exemplarisch daarvoor is het fenomeen van “de steenweg” als identiteitsbepalende levensader. Gegroepeerde retailparken en de galopperende “appartementitis” in de buitengemeenten – waarbij men door het tweekoppig monster van politieke welwillendheid en het snelle geld van vastgoedspeculanten op steeds kleinere oppervlakten wordt gedrongen aan exuberante prijzen – lijken de socialisering van de publieke ruimte nog problematischer te maken. Duurzame gemeenschapsvorming, wat ooit nog in de politieke arena werd geworpen als het “kostbare weefsel”, vindt niet meer plaats, omdat er nauwelijks nog ontmoetingsplaatsen bestaan. Een masterplan om de gigantische wachtlijsten in de sociale woningbouw aan te pakken is bovendien zo goed als onbestaande.
Intussen breidt de “nevelstad” zich als een kanker uit over het gehele grondgebied. Het uitstellen van de “betonstop” naar 2050 speelt daarin een zeer kwalijke rol: flessenhalzen om snel nog de laatste restanten open ruimte op te kopen zijn er het gevolg van. De modernistische architect Renaat Braem vond België één van de lelijkste landen ter wereld, en was van mening dat men in de periferie eigenlijk opnieuw zou moeten beginnen. Paradoxaal genoeg maakt die chaotische, welhaast surrealistisch aandoende ruimtelijke ordening op veel buitenlanders vaak een “exotische”, bevreemdende en instant-herkenbare indruk. De boer en zijn “koterijen” zijn in sneltempo vervangen door een soort grijzige eenvormigheid – een Atlantikwallisering – naar analogie met het appartementendrama dat zich heeft voltrokken aan onze kust. Veel van die toch wel curieuze, typisch-Belgische cultuurfenomenen zijn inmiddels uit de publieke ruimte verdwenen en behoren tot het fotoarchief. Zo werd “’t frietkot” pas erkend als cultureel erfgoed op een moment dat het geweerd werd omwille van “visueel storende” redenen.
We zijn filekampioen! Een performant openbaar vervoer zou in deze context soelaas kunnen bieden. Helaas, na decennia van verrottingstrategieën reizen we op een aftandse en oncomfortabele manier. Sommige politici maken er geen geheim van om ons publiek transport te willen privatiseren. De Vlaamse bouwmeester roept intussen op om niet in “Fermettegem” te wonen – het zijn nu eigenlijk pastoriewoningen en blokkendozen stiefzusterlijk naast elkaar geplaatst op veel te kleine percelen. Wie “betaalbaar” moet wonen in de periferie zal dus mobiliteit- en energiearmoede ervaren.
De huidige regering creëert sociale woestijnen en institutionaliseert uitsluiting- en verdringingsmechanismen alsof het onomkeerbare natuurwetten zijn. De genomen beleidskeuzes blijken nu reeds contraproductief te werken. De schuldgraad neemt hand over hand toe en bestaande problemen escaleren, omdat ze worden benaderd met hardvochtig “gezond verstand”; een verstand dat behept is met improvisatie zonder lange termijn analyses of zinnige modellen. Sommige burgers blijven – hun aantal neemt af – echter op sadomasochistische wijze dit horrorbeleid onderschrijven tot op het moment dat ze zelf worden geaffecteerd. De hardnekkige volgzamen worden evenwel in “de grondstroom” meegesleurd. De “naast-elkaar-samenleving” wordt in toenemende mate als oneerlijk beschouwd. Analoge media schotelen ons nog steeds vermeende experts voor die gezwind het afbraakwerk willen “repareren” of “corrigeren” – de postmoderne verschijning van de sadomasochistische boer die terloops zijn biefstukkenboek aan de man brengt. Men raakt niet aan de ongelijke kern en wie structurele veranderingen naar voren schuift, wordt weggezet als “communist”, die onmiddellijk van het erf moet worden gejaagd.
Overheden die voortdurend contractbreuk plegen en de wetgeving op alle manieren proberen te omzeilen, stuiten vroeg of laat op respectloosheid voor iedere vorm van autoriteit en sociale cohesie. Een minister kan zich achteloos laten ontvallen dat ze geen moreel kompas bezit om haar beleid te voeren. Tijdens de vergane gloriejaren was ons pedagogisch project in het humaniora gevestigd op sociale ethiek en collectieve verantwoordelijkheid, kortom burgerlijke Bildung als middel en doel om deze regio richting geciviliseerde moderniteit te lanceren – wat voorbij de dril gaat om potjeslatijn te debiteren. We lijken op een punt beland waarbij “het beest” in het geatomiseerde individu reeds kan ontwaken op pakweg een fietsostrade of langs “den draad”, waarbij men over een banaliteit met elkaar op de vuist gaat of letterlijk met graszoden begint te gooien. Een fenomeen dat ooit door het onvolprezen In de gloria op treffende wijze werd geparodieerd, en waarvoor de ordediensten thans moeten uitrukken. Die verkleutering en het daaraan gekoppelde gebrek aan empathie lijkt de overhand genomen te hebben ten koste van genuanceerd, kritisch en geïnformeerd denken. De reactionaire slag aan politici weet voortdurend de aandacht af te leiden van wat echt in het geding is en zoeken schuldigen door naar beneden te stampen en de samenleving te polariseren met een uitgekiende verdeel-en-heers strategie. De burgers – reeds geruime tijd gedegradeerd tot consumenten – zijn uitgeperst en murw geslagen. Veranderingen zullen zich collectief en solidair van onderen uit moeten voltrekken.
Deze samenleving lijkt geen samenleving meer te zijn. Dat werd ook onderschreven door de Sulla van dienst, die hevige kritiek op de afbraak van onze sociale rechten arrogant pareerde door een foto van Thatcher op zijn sociale media te publiceren. There is no such thing as society, there are only individuals. Grote delen van het Verenigd Koninkrijk zien er sindsdien uit als een oorlogslandschap, en dat zonder de terreur van imaginaire drones. Nu goed, gelukkig worden voortdurend gadget-apps ontwikkeld, die de illusie wekken dat je het “eigen ondernemerschap” in alle levensdomeinen kan monitoren, met “efficiëntiewinsten” als resultaat. Zo slogant Engie: “Hey, het is jouw energie”. De sociale matrix staat inmiddels op nul en zakt met de zomer in ‘t verschiet zienderogen onder het vriespunt.