
Even geleden herlas ik Vergeten straat. Op skivakantie dan nog wel, waar de kinderen van familieleden onder luid gejoel hun helmen en laarzen aantrokken. Misschien is dat ook geen toeval. Boon lees je feitelijk nooit waar hij thuishoort. Op het toppunt van de herrie deserteerde ik met het boek enkele keren naar de rustige plekjes van de accommodatie. Jan Walravens beschrijft Boons oeuvre als iets waaraan weinig mensen zich willen wagen. Dat was buiten zijn naamgenoot (ikzelf) gerekend, die maar al te graag ontsnapt in de wondere wereld van Louis Paul Boon.

Ulla Walravens is ondervoorzitter van de Jongsocialisten en studeert sociaal-juridisch werk. Ze combineert haar studies met een uitgesproken syndicaal engagement en een politiek mandaat als gemeenteraadslid (Vooruit) in Halle
Vergeten straat is een rauwe doch empathische roman over een straat die wordt afgescheurd van de beschaving tijdens het aanleggen van de Noord-Zuidverbinding in de jaren veertig van de vorige eeuw. Een reeks aan elkaar genaaide stukjes verhaal en gevoel. Een versleten doch geliefd lappendeken. Het stinkt, de verschillende stoffen hebben hun beste tijd gehad en het zal niet meteen in het interieur van Daan Alferink te vinden zijn. Maar het houdt je wel warm.
Louis – want zo mag ik hem noemen, we hebben al genoeg uren samen doorgebracht – slaagt er telkens weer in me mee te nemen in een koortsdroom die net iets te echt lijkt. Hij vijlt geen scherpe randen weg, maar slijpt ze met veel graagte aan. Zo kennen we hem, Louis. Hij lijkt wel een vaste caféganger die ik zo nu en dan eens tegenkom tijdens vrijdagse escapades. Na een pint of vijf komt hij aanzetten met de verhalen des levens die je misschien liever niet had willen horen. Terwijl je tracht te genieten van je Geuze Boon (pun intended, maar wel één van mijn favorieten). Hop, weg sfeer.
De personages zijn vleesgeworden pijn. De angsten, kapotte dromen en trauma’s schieten voortdurend als giftige zwammen uit de grond. Het hele Booniversum is een ode aan de treurnis, waarbij je elk mogelijk noodlottig scenario krijgt voorgeschoteld. Al valt er me wel iets op. Het leed wordt zo goed als altijd collectief gedragen. Daarmee bedoel ik niet dat de hele wijk in rouw gaat als Koelie een slechte dag heeft, zeker niet. Maar pijn en moeilijkheden worden gedeeld. Of de personages weten het tenminste van elkaar. Ze weten wat Koelie tot tranen brengt. De gemeenschap is een collectief knooppunt voor ieders kommer en kwel.
Dat betekent niet dat Boons figuren vrij zijn binnen hun communale leefwereld. Integendeel. Roza, bijvoorbeeld, wordt letterlijk achter slot en grendel weggestoken van alles en iedereen, net zoals de straat van de rest van de wereld. Maar zelfs daar verdwijnt ze niet uit het collectief geheugen van de straat. De mensen weten wat er gebeurt achter die deur, fluisteren het verder en dragen het mee. Haar gevangenschap is geen privéruimte, maar net een levendig voorbeeld van hoe zelfs afzondering een publieke zaak blijft.
Vandaag glijden we weg in een individuele vorm van lijden. Meer dan ooit leven we dichter op elkaar, maar we proeven vooral eenzame pijn. Waar Boons realiteit lijfelijk en collectief was, is onze werkelijkheid palingglad en ontmenselijkt. Ons falen zit verstopt achter schermen van schaamte en de pijn is geprivatiseerd. Wie opgebrand raakt op het werk, wordt maar beter snel begeleid in een afzonderlijke therapieruimte. Minder druk op de werkvloer is bijzaak. Zelfzorg vervangt gemeenschapszorg en wordt een individuele verantwoordelijkheid. Red jezelf, of eerder sauve qui peut. Wie het tempo van de samenleving niet kan volgen, moet zichzelf dringend heruitvinden en gelooft daarbij best elke internetgoeroe die verkondigt dat je makkelijk een Porsche per week kan verdienen, zolang je zijn stappenplan maar minutieus volgt.
We bevinden ons in een ‘samen-leving’, waarin ieders droefenis een film is die achter de voordeur wordt afgespeeld. Hoe zijn we geëvolueerd van samen dragen naar individueel verbergen? Wat zou het betekenen om opnieuw ruimte te maken voor gedeelde menselijkheid en een gedeeld lijf?
Boon creëerde geen softe muurbloempjes in zijn romans. Het zijn personages die pijn belichamen, gekroond door zweet, armoede en mislukking. De ellende wordt gekend, rondgedragen op de kapotgewerkte schouders van de gemeenschap die zeer hard is, maar wel menselijk. Daar waar Boon sociale klasse aan het vlees toeschreef, stopten wij haar in diagnoses. Het lijf lijdt nog steeds, maar nu stil, gecorrigeerd en onopgemerkt. Vandaag raken de lichamen elkaar amper, arbeid put uit en laat sporen na die niet zichtbaar zijn voor het blote oog.
De zichtbaarheid van de pijn is niet het enige dat verloren ging. Ook haar weerbarstigheid. Boons lijden is lastig. Het stinkt, eist zijn plek op en verstoort de openbare orde. Vandaag mag pijn bestaan, zeer zeker. Zolang ze zichzelf maar begrijpt, verklaart, bijstuurt en vooral niet stoort. Het lijden wordt niet enkel verborgen, maar ook getemd. Zoals een onderdrukte vrouw in de jaren vijftig. Enfin, sois belle et tais-toi.
Vandaag verdampt nabijheid in de wolk van bosbes-suikerspin afkomstig uit de vape van de lokale playboy. De lift van de bibliotheek zit vol zwijgende lijven die de adem delen, maar niet elkaars smart. Ze bewegen als warmtestromen door de grootstad, efficiënt en zonder onnodige wrijving: urbanisatie predikt ontmoeting maar verschaft circulatie. Dorpspleinen worden onpersoonlijke transitzones, cafés worden werkplekken (al dan niet met laptop-policy) en openbare zitplekken zijn nutteloze decoratie in het straatbeeld. In dit nieuwe sociale klimaat wordt ontmoeting een risico; iedereen is zichtbaar, niemand aanspreekbaar. We leren ons lijf klein maken, want onze nabijheid is iets dat moet worden beheerst: oogcontact voelt als iets waarvoor GAS-boetes zouden kunnen worden uitgeschreven en stilte is beleefdheid.
Daardoor ontstaat een paradoxale dichtheid. We leven bijna op elkaars huid en ademen in elkaars nek, toch ontbreekt de frictie. We produceren massa maar geen gemeenschap: meer mensen, minder ontmoeting.
Een gedeeld lijf is in feite geen dromerig of romantisch idee. Het is lastig en nooit proper. Het stelt eisen en hijgt. Wie samen de adem vindt, kan zich eigenlijk niet van de domme houden. Misschien is dat net wat we verloren hebben: de bereidheid om je tot ongemak te brengen voor elkaar. Boons wereld is hardvochtig, maar niemand kan doen alsof hij erbuiten staat. In 2026 is afstand ons alibi.
Versta me niet verkeerd: dat gedeeld lijf verschijnt op tijd en stond nog eens, maar praktisch enkel onder sirenes en crises, aanslagen en pandemieën. Dan zijn we daar, schouder aan schouder en lijf tegen lijf. Handgeklap op de balkons en solidariteit alom. Maar die samenhorigheid duurt enkel zo lang als moet. Is de vijand uit zicht (wie dat op dat moment ook moge zijn), dan trekken we ons terug achter de denkbeeldige scheidingslijn. Deurtje toe en achter het scherm belanden wij. Samenzijn is enkel toegestaan wanneer we het ook weer kunnen ontmantelen in een aanvaardbare tijdspanne.
Ik verlang niet nostalgisch naar collectief afzien. Ik snak naar een lijden zonder afzonderlijke compartimenten. Wanneer ik kijk naar een echt lijf, is pijn ook nooit lokaal. Krijg je een schop tegen het scheenbeen, voel je het bonken tot in je kop. Klop je met een hamer op je duim, voel je het pulseren van je aders. We raken het besef kwijt dat schade zich verspreidt. Ons lichaam bestaat niet uit losse stukken, maar zo gedragen we ons wel vandaag. Het been mag naar de kinesist, het hoofd naar therapie en het hart naar een zelfhulpboek dat in de koopjesbak lag. Intussen mag de rest doen alsof het nergens last van heeft. En zo gaan we ook met elkaar om.
Misschien is er geen diepgaande psychoanalyse nodig om te leren wat Boon nooit vergat, namelijk dat een mens pas mens wordt in andermans ogen. Misschien is het veel simpeler dan dat: we moeten weer durven botsen, schuren en stinken. Dan kan een straat weer een gemeenschap worden en een lichaam weer een geheel.