
Welk verhaal vertelt België zichzelf over sociale klasse? Wie de publieke of commerciële omroep volgt, kan de indruk krijgen dat klasse een grotendeels irrelevante factor is geworden in onze samenleving. Van tv-series en feel good-programma’s krijg je de indruk dat er in Vlaanderen enkel een middenklasse bestaat, met koppels op zoek naar een nieuwe woonst of mensen die bij elkaar in de huiskamer aan tafel schuiven. De middenklasse-Vlaming heeft zich in amper twee generaties kunnen opwerken van een armoedig en ondergeschikt bestaan naar een relatief welvarende positie met een stabiel inkomen, een privé-eigendom en een niet te verwaarlozen spaarrekening. Cultureel is er ook een zekere vervlakking die deze perceptie van een universele middenklasse versterkt. Jongeren uit alle sociale lagen zitten op TikTok, doen mee aan dezelfde trends, volgen dezelfde influencers en kijken naar dezelfde sporten.

Lorenzo Buti is filosoof verbonden aan KULeuven, Centrum voor Politieke Filosofie en Ethiek (RIPPLE). Hij is gespecialiseerd in de naoorlogse Franse politieke filosofie.
De werkende klasse heeft zich naar boven kunnen werken, wat maakt dat het idee ontstond dat zelfs de top niet te ver buiten handbereik ligt. Tijdens de laatste decennia is een nieuwe laag Vlaamse ondernemersfamilies ontstaan – te vinden in sectoren als IT, vastgoed, verzekeringen, media en aanbestedingen voor openbare werken. In tegenstelling tot de vroegere Belgische bourgeoisie hebben deze nieuwe rijkste Vlamingen nagenoeg dezelfde interesses als de rest van de bevolking. Economisch kapitaal verwerven betekent immers niet dat iemand zichzelf hoge cultuurvormen toe-eigent. Sterker nog, sommige van deze nieuwe rijken lijken eerder prat te gaan op hun beperkte horizon van culturele beleving. Gert Verhulst bezit een vermogen van enkele tientallen miljoenen, maar aan De Tafel van Gert spreekt hij met dezelfde stem als de “gewone man in de straat”. Bart Verhaeghe, Roland Duchâtelet en Marc Coucke kopen voetbalclubs, wat hen enkel meer inspraak geeft in hetzelfde spelletje waar iedereen van houdt.
Intussen maken de politieke elites handig gebruik van deze ontkenning van klassenverschillen wanneer ze pensioenen en werkloosheidsuitkeringen afbouwen of wanneer ze de inkomenszekerheid door reguliere arbeid ondermijnen door flexijobs uit te breiden naar alle sectoren. Volgens deze politici “zitten we allen in dezelfde boot”, en moet “iedereen de broeksriem aanhalen” om onze “gedateerde” sociale welvaartstaat nog enigszins te redden. Iedere statistische projectie signaleert echter een dalend inkomen voor de werkende klasse over het gehele levenstraject, de groei van sociale ongelijkheden, minder sociale bescherming en minder kansen op sociale mobiliteit. De harde realiteit van klassenpolitiek wordt zo vermomd achter een collectieve oefening in behoefteontkenning.
Wanneer sociale klasse wel aan bod komt in cultuur en politiek, is het meestal om de klassenhiërarchie eerder te bevestigen dan aan te klagen. Politici als Zuhal Demir en Liesbeth Homans gebruiken hun relatief achtergestelde achtergrond als bewijs dat onze samenleving wel voldoende kansen biedt. In ons online tijdperk verspreiden influencers, hustlers en TikTok CEO’s hetzelfde discours wanneer ze etaleren hoe ze met hun onbegrensde ambitie een succesvol (maar schimmig) financieel imperium hebben weten uit te bouwen. De ideologische functie van deze politici en influencers is in beide gevallen dezelfde: aantonen dat doorzettingsvermogen voldoende is om aan je klassenbestaan te ontsnappen. Armoede of sociale precariteit zijn dan geen sociaal product maar een individueel falen.
Deze fenomenen verbloemen hoe klassenongelijkheden zich enkel hebben versterkt in de laatste decennia. Huidige macro-economische indicatoren wijzen voor het eerst op het gevaar van sociale declassering van de middenklasse. Jongeren lijken vandaag allemaal te behoren tot een eenheidscultuur, maar zonder een familiaal patrimonium aan te boren kan geen van hen een geïdealiseerd middenklassenbestaan opbouwen. In de plaats van dit te verklaren aan de hand van klassendynamieken, wordt het dominante vertoog steevast ingepalmd door noties van “volk” en “individu”. Sociale klasse wordt dus op alle mogelijke manieren ontkend, om op opportunistische momenten terug te keren in verwrongen ideologische gedaanten. Vanwaar komt deze spookachtige ambiguïteit over klasse?
Gelijkheid en vrijheid in het kapitalisme
Volgens de Griekse politicoloog Nicos Poulantzas ligt de crux van het probleem in het feit dat een kapitalistische samenleving zich reproduceert via marktwerking. [1] Individuen kopen hun producten bij bedrijven en bieden tegelijkertijd hun arbeid bij diezelfde bedrijven aan. Essentieel aan iedere markttransactie is dat de twee partijen akkoord gaan om wat zij bezitten te ruilen voor wat de andere bezit. Op papier (letterlijk: de contracten die we tekenen en die dus de infrastructuur van onze interacties vormen) komen we elkaar dus niet tegen als leden van sociale klassen, maar als autonome individuen met gelijke burgerlijke rechten om vrijwillig te beschikken over onze arbeid of ons kapitaal.
Deze contractuele marktrelatie, die de reële schijn van formele gelijkheid installeert, betekent een fundamentele breuk met pre-kapitalistische samenlevingen. In feodale of slavenmaatschappijen was marktwerking een eerder perifeer sociaal gegeven. Hiërarchische klassen waren er daarentegen solide en onveranderlijk, ondersteund door juridische classificaties die privileges en verplichtingen voorzagen. In ontwikkelde kapitalistische samenlevingen werd de marktwerking het structurerende sociale principe. Binnen een kapitalistische context word onze private arbeid en consumptie gesocialiseerd door de markt: zowel om een loon te verdienen als om noodzakelijke goederen te kopen; we ontmoeten elkaar als individuele aanbieders en vragers van arbeid en producten. Het is de markt die onze sociale positie structureel verankert en ons in contact laat komen met anderen om materieel te kunnen overleven.
De marktwerking kan pas regeren wanneer zich twee fundamentele sociale transformaties voordoen, waarvan de effecten tot diep in het sociale weefsel doordringen. Ten eerste moet iedereen juridisch en politiek gelijk worden. [2] In principe staan beide partijen in een handelsovereenkomst op gelijke voet, en in theorie mag er van geweld of fysieke dwang geen sprake zijn. Ten tweede word je geïnterpelleerd als autonoom individu dat zijn of haar eigen beslissingen kan maken. Beide factoren komen samen in wat Poulantzas het “effect van isolement” noemt: individuen losgerukt van hun sociale achtergrond, die om hun bestaan te verzekeren elkaar tegenkomen als wederzijds zelfstandige en autonome partijen.
De eerste ervaring van de gelijkheid en de vrijheid van de markt is er een van intense competitie met anderen. Wie het nadeel heeft om als bezitloos subject op de arbeidsmarkt te zijn geworpen, ervaart onmiddellijk de doordringende werking van competitie met anderen die eenzelfde sociaal profiel bezitten. Competitie isoleert iemand sociaal, omdat de persoon structureel wordt geplaatst tegenover rivalen die eenzelfde noodzakelijk inkomen moeten verwerven. Ook kapitalisten, en dus niet uitsluitend de arbeiders, worden geconfronteerd met de macht van competitieve druk: concurrenten uit het buitenland kunnen hen bijvoorbeeld dwingen om prijzen te verlagen of grotere volumes te produceren. De grote Europese autobedrijven voelen bijvoorbeeld de hete adem van Chinese bedrijven in hun nek, die dezelfde elektrische wagens aanbieden tegen een veel lagere prijs. Marktwerking en competitie goes all the way down, van de grootste CEO’s tot kleinste loonarbeiders. Alleen hebben grootbedrijven veel meer kans om de overhand te halen in deze competitieve strijd: zij bepalen de prijszetting, zij kunnen zich enorme kapitaalinvesteringen veroorloven en zij weten de belangrijkste marktsegmenten te veroveren door veel kosten af te wentelen op zwakkere partijen.
De marktwerking van het kapitalisme produceert dus geen gelijk speelveld tussen individuen met dezelfde kansen, maar creëert steeds groeiende sociale ongelijkheden. We weten immers dat de twee partijen van een marktovereenkomst in de meeste gevallen allesbehalve gelijk zijn. Op de arbeidsmarkt schuilen onder de façade van gelijke contractuelen twee andere figuren: een houder van kapitaal staat tegenover iemand die zijn of haar arbeid moet verkopen om te overleven. In het eerste volume van Het Kapitaal beschrijft Marx eerst de werking van ruilhandel tussen gelijke partijen: hier heersen “vrijheid, gelijkheid, bezit en Bentham”. Echter, “bij het verlaten van deze sfeer van eenvoudige circulatie of warenruil lijkt het net of er al iets verandert in de fysionomie van onze dramatis personae. De vroegere geldbezitter schrijdt als kapitalist vooraan en de bezitter van arbeidskracht volgt hem als arbeider; de ene veelbetekenend meesmuilend en gewichtig, de ander schuw, schoorvoetend, als iemand die zijn eigen huid naar de markt heeft gebracht en nu niets anders te verwachten heeft dan – gevild te worden.” [3]
Marx beschrijft drie manieren waarop de kapitalist loonarbeiders steeds sterker tracht uit te buiten: door hen langer te laten werken, door arbeid intensiever te maken of door technologische verbeteringen door te voeren (voor hetzelfde loon). In alle gevallen bestendigt en versterkt het arbeidscontract tussen twee formeel gelijke individuen de hiërarchie tussen sociale klassen. Die machtsongelijkheid valt dan terug te vinden in de wijze waarop het arbeidscontract juridisch wordt geïnterpreteerd tijdens arbeidsconflicten en geïmplementeerd op de werkvloer. Volgens de econoom Ernesto Screpanti veronderstelt het arbeidscontract twee autonome partijen die vrij een verbintenis aangaan. Toch zit in dat contract reeds de dominante machtspositie van de werkgever vervat. [4] Zo zal enkel de arbeider disciplinerende maatregelen ondergaan wanneer hij of zij onvoldoende of onvolledig het contract “eerbiedigt”, niet omgekeerd. Ook valt nergens te lezen hoe een arbeidscontract eigenlijk tot stand komt op basis van zeer specifieke selectiemechanismen. Tijdens de vroege periode van het kapitalisme bestond het werkboekje. De kapitalist eigende zich toen het recht toe om op eenzijdige manier het gedrag van arbeiders te documenteren. In het laatkapitalistische tijdperk zien we de proliferatie van HR-departementen, die zichzelf eveneens het vermeende maar onbestaande recht hebben toegeëigend om diep te graven in de private levenssfeer van potentiële verkopers van arbeidskracht.
Ten laatste bestaan er ook tal van financiële mechanismen die eenzijdig worden opgelegd door de kapitalist: loonvoorwaarden kunnen steeds worden herzien indien dit noodzakelijk blijkt te zijn voor de “financiële gezondheid” van een bedrijf. Verder kunnen we ook nog wijzen op tal van andere “externaliteiten”. Het aantal arbeiders dat bijvoorbeeld een slopende of zelfs dodelijke ziekte oploopt door hun arbeidsomstandigheden, is gigantisch. Geen enkele financiële compensatie kan ooit permanente gezondheidsklachten ongedaan maken. Al deze zaken vallen buiten de contractuele structuur van de arbeidsmarkt maar binnen de relatie tussen arbeid en kapitaal, hoewel de kapitalist en de wetgever pogen het juridische tegendeel te beweren. De contractuele relatie blijkt dus in realiteit niet gestoeld te zijn op het arbeidend individu dat zijn of haar vrijheid uitoefent. We observeren eerder een relatie van dominantie tussen twee partijen, waarbij de ene partij (arbeid) een formele band van onderwerping aangaat. Het arbeidsproces bestaat dus niet uit een eenvoudige ruilrelatie. Het is strikt hiërarchisch en bestaat uit een complexe bevelstructuur, wat mogelijk wordt gemaakt door de eenvoudige ondertekening van een contract.
Het raadsel van sociale klasse vandaag is dat ze op het politieke en juridische niveau moet worden ontkend om als sociale ongelijkheidsmachine te kunnen functioneren. Volgens Poulantzas speelt de staat een centrale rol in het simultaan ontkennen en organiseren van klassenbelangen. De kapitalistische staat, zo meende hij, organiseert de collectieve politieke belangen van de dominante klasse door gunstig economisch beleid te voeren, de juiste arbeidskrachten op te leiden en sociale onlusten te neutraliseren. Daarentegen desorganiseert de staat de gedomineerde klassen. Die desorganisatie gebeurt net via de individualisering en het isolement dat de staat politiek en juridisch institutionaliseert. Door ieder persoon aan te spreken als individuele burger, en zichzelf als hoeder van het ‘algemeen belang’ van het Volk op te stellen, ondermijnt ze de mogelijkheid om de positie van een individu te begrijpen als een specifieke klassenpositie. Uiteindelijk staat de verkaveling van individuele atomen ten dienste van kapitalistische klassenbelangen.
De ontkenning van sociale klasse
Wanneer kapitalistische marktrelaties het sociale leven structureren, wordt de gelijkheid van autonome individuen ondermijnd door hiërarchische machtsrelaties tussen de dominanten en de gedomineerden. Het is vervolgens verleidelijk om de sfeer van formele gelijkheid en vrijheid te ontmaskeren als uitsluitend illusoir, een laagje vernis aangebracht over de werkelijke structuren van kapitalistische dominantie. Gelijkheid en vrijheid binnen een kapitalistische context zijn dan louter een leugen waar we beter geen uitstaans mee hebben. Dit zou een vergissing zijn, omdat het model van individualisering, gebaseerd op het idee van gelijke en autonome individuen, de andere sociale sferen in onze samenleving boetseert. Onderwijs is er een typevoorbeeld van. Ondanks evidente variaties kunnen we toch stellen dat ons onderwijs rijk en arm op dezelfde schoolbanken plaatst. Leerlingen krijgen monologen van dezelfde leerkrachten, lezen dezelfde werkboeken en sleuren zich door dezelfde examens. Vaak bieden scholen financiële en persoonlijke ondersteuning voor leerlingen uit armere gezinnen. Ouders uit de lagere klassen kunnen dromen dat hun kinderen een opwaartse beweging maken doorheen de samenleving door hogere studies aan te vatten. Ouders uit de hogere klasse reageren dan weer nerveus wanneer hun kind studieproblemen blijkt te hebben, omdat een diploma en zicht op verdere studies in het gedrang komt. Het onderwijs legitimeert zichzelf door zich meritocratisch te noemen, en maakt die meritocratie tot op zekere hoogte ook mogelijk.
Het gelijkekansenbeleid in het onderwijs beweert dat een talentrijk iemand, die hard werkt, zich economisch kan opwerken. Een beleid van gelijke kansen is de facto een onbetwistbare morele vooruitgang. Onder geen beding willen we terug naar een periode waar die kansen institutioneel niet werden aangeboden. Maar het huidige kapitalisme gebruikt deze context van formele gelijkheid en meritocratie om sociale ongelijkheden in stand te houden en zelfs te vergroten. Gegoede ouders kunnen thuis een studiekamer aanbieden, financieren de kosten van handboeken en eventuele koten, voorzien hun kinderen van bijlesgevers en bieden de expertise van hun eigen studeerervaring. Leerkrachten in het middelbaar onderwijs zullen sneller gegoede kinderen hoger onderwijs aanraden, louter op basis van hun habitus, terwijl het gedrag en kennisvormen van leerlingen uit lagere klassen maken dat deze keuze wordt ontraden. [5] Deze sociale selectiemechanismen ontsnappen volledig aan het meritocratisch principe, waardoor de reproductie van sociale klassen ook via het onderwijs plaatsvindt. De meritocratische visie focust uitsluitend op het succes van de modelstudenten, terwijl net het traject van achterblijvers en degenen die worstelen met de leerstof aantoont hoe ongelijkheid leerprestaties beïnvloedt. Wanneer gegoede leerlingen aan de existentiële afgrond staan van een C-attest, treden alle hulpmiddelen en netwerken van de ouders in werking, terwijl kinderen uit de lagere klassen vaker slachtoffer worden van het watervalsysteem. In Vlaanderen verlaat één op acht jongeren het middelbaar onderwijs zonder diploma. De grootste voorspeller van dit scenario is niet toevallig de scholingsgraad van de vader.
Ook het “effect van isolement” laat zich gelden in diverse sferen van de samenleving. De meritocratische werking van het onderwijs maakt dat een onderliggende boodschap aan de nieuwe generaties wordt meegegeven: het persoonlijke succes of falen moet volledig worden verklaard op basis van de eigen kwaliteiten en levenskeuzes. De laatste paar decennia is gradueel het besef verdwenen hoe ons lot beïnvloed wordt door sociale structuren die de onmiddellijke individuele ervaringswereld overstijgen. [6] Dit maakt dat mensen de gevoelde ervaring van hun dagelijkse realiteit niet meer cognitief reconstrueren aan de hand van klassenverschillen.
Terwijl sociale klasse een stabiele voorspeller is van schoolresultaten, internaliseert de leerling dit als een individueel succes of falen. In de hedendaagse literaire wereld hebben weinig schrijvers het fenomeen van het geïsoleerde individu beter onder woorden gebracht dan Annie Ernaux. Als kind van een gezin uit de lagere regionen van de samenleving beschrijft zij de klassenschaamte die ze voelde tegenover haar ouders. Op indringende wijze brengt de Franse romanschrijfster ook de wrede beproevingen in beeld, wanneer zij als jong meisje onbedoeld zwanger wordt en het onbegrip en het nodige sadisme van de hogere middenklasse moet doorstaan. [7] Ernauxs wereld is er een doordesemd van eenzaamheid, waar foto’s meer zeggen dan gesprekken en de periodes alleen zwaarder doorwegen dan die gedeeld met anderen. Toch beweert Ernaux niets anders te doen dan een collectieve ervaring aan het licht te brengen. Isolement is de modaliteit waarin klasse wordt geleefd.
Ten slotte beïnvloedt de specifieke versie van kapitalistisch individualisme ook de affecten van afzonderlijke individuen: hun verlangens, motivaties, angsten en obsessies. Door haar juridische gelijkheid maakt het kapitalisme het namelijk mogelijk dat mensen wel degelijk van sociale klasse kunnen veranderen, bijvoorbeeld via studies, een succesvolle carrière of door te huwen met iemand uit een hogere klasse. De Franse filosofe Chantal Jaquet noemt hen “transklassers”: individuen die verhuizen van de ene sociale klasse naar de andere. [8] Transklassers zijn statistisch eerder uitzonderlijk, maar dat belet hen niet om een belangrijke ideologische rol te spelen. Een van de grote culturele figuren van het kapitalisme is de self-made man, die met talent en doorzettingsvermogen zijn eigen lot heeft kunnen verbeteren. Een minder opgemerkt aspect van de nu gevreesde manosphere is hoe deze wordt bevolkt door types die zich financieel hebben opgewerkt via dubieuze economische initiatieven, en zo het fenomeen van individuele sociale mobiliteit belichamen. Deze online figuren zijn deels populair omdat ze het verlangen naar klassenmobiliteit bij hun jong mannelijk publiek aanwakkeren. Omgekeerd wordt zo goed als iedere laag van de samenleving gekweld door een vrees voor sociale declassering. Zo zijn mensen vaak bereid om hun lagere sociale positie te accepteren zolang ze niet behoren tot de groep onder hen, en etaleren ze, ieder op eigen manier, hun sociale superioriteit tegenover de laatsten.
Verre van louter een persoonlijke verwezenlijking, ligt ieder traject van sociale mobiliteit voor een groot deel buiten de greep van een individu. Zo zijn er gunstige economische en politieke condities voor nodig, zoals veel werkgelegenheid of financiële beurzen voor studies. Maar ook op het persoonlijke niveau kweken specifieke ervaringen, rolmodellen of toevallige ontmoetingen de motivatie om deze sprong te wagen. Eenmaal beland in een hogere klasse, ervaart de transklasser zichzelf vaak als een oplichter die zich artificieel tracht de culturele gebruiken van de hogere klassen eigen te maken. Jaquet beschrijft de transklasser als een verbannen kind uit de lagere klasse dat nooit werkelijk zal behoren tot de hogere. De transklasser belichaamt dus niet de belofte dat sociale klasse kan worden overstegen, maar bevestigt eerder de hiërarchieën tussen klassen.
Van klasse naar klassenstrijd
In de hedendaagse samenleving materialiseert sociale klasse zichzelf door op zekere hoogte te worden ontkend. Toch weten we dat dit niet het einde van het verhaal is. De verschillen en ongelijkheden gebaseerd op sociale klasse zijn tastbaar in de dagelijkse realiteit. Iemand wordt zich bewust van de eigen klassenpositie in confrontatie met leden van een andere klasse, die een ander taalgebruik hanteren en een contrasterende culturele smaak bezitten, of anders in hun lichaam zitten. Een impliciete erkenning van sociale klasse begint wanneer mensen ’s ochtends vroeg dezelfde trein naar het werk nemen of dicht op elkaar op de bus staan. Op de werkvloer delen mensen hun ervaringen, stellen ze gezamenlijke eisen en doen ze aan collectieve onderhandelingen. Praktijken van solidariteit en structurele analyses die de eigen ervaring overstijgen, voeden een klassenbewustzijn. Dit bewustzijn heeft zich ook verankerd in vakbonden, die trachten de belangen van werknemers te behartigen.
Het hedendaagse kapitalisme moet dus het bestaan van sociale klasse ontkennen, maar kan haar realiteit niet onderdrukken. Het is daarom dat we op ideologisch niveau kunnen spreken van een dominant vertoog (van individualisme, formele gelijkheid en meritocratie) en een tegenvertoog (van klassenconflicten, collectieve belangen en solidariteit). Er lopen als het ware twee stromingen door deze samenleving, een bovengrondse en een ondergrondse. Onze samenleving wordt bepaald door een officiële geschiedenis en een tegengeschiedenis. Het dominante narratief presenteert het heden als een lineaire mars van vooruitgang. Het tegenvertoog herinnert ons aan de slachtoffers, de kwetsuren en de strijd, die hebben gemaakt dat de werkende klassen sociale rechten bezitten. De officiële geschiedenis verwijst naar helden en grote gebeurtenissen. De geschiedenis van onderop laat verdwenen stemmen spreken die opofferingen hebben gemaakt om meer gelijkheid in de wereld te brengen.
Het dominante vertoog beschouwt elke verwijzing naar een specifieke klassenervaring als een politieke daad. Ernauxs “ik” is die van haar singuliere zelf, maar opent een wereld van gelijkaardige ervaringen die door officiële vertogen worden vergeten of zelfs onderdrukt. Door te spreken over haar eigen ervaringen, probeert Ernaux erkenning te geven aan het lot dat de leden van haar klasse of haar gender hebben ondergaan. Haar “ik” is dus haarzelf, maar tegelijkertijd een collectief “ik” waar anderen zich in kunnen herkennen. Structurele analyses kunnen mensen helpen om hun individuele perspectief te overstijgen. Deze hoeven allesbehalve een monopolie van intellectuelen te zijn. Mensen verwerven inzicht over hun structurele omstandigheden via gesprekken op de werkvloer of wanneer ze participeren in sociale of politieke initiatieven. We moeten ook een infrastructuur op poten zetten die ingaat tegen de cultuurindustrie. In het verleden hebben mensen door het lezen van kranten en het bekijken van media een structurele visie weten op te bouwen. We moeten films of series koesteren en promoten die het thema van klasse op een kritische wijze aanraken.
Klassenbewustzijn kan worden gevoed door het besef dat klassenstrijd reeds bestaat, nog voor men zelf agiteert of situaties contesteert. Stakers of vakbonden creëren de conflicten tussen sociale klassen niet, deze vinden al plaats door de beslissingen van werkgevers: in de kleine tirannieën op de werkvloer, in de laagbetaalde lonen, in de dagcontracten en in de vervanging van creatieve arbeid door AI. Klassenstrijd bestaat voor, tijdens en na de beslissing van overheden om pensioenen af te bouwen en werkloosheidsuitkeringen af te schaffen, of om arbeid door sans-papiers illegaal te houden. De vraag is dus niet of arbeiders beslissen een botsing met hogere klassen te initiëren, maar of ze zelf gehoor geven aan deze botsing en haar van antwoord dienen.
De sociale orde legitimeert zich met een discours van gelijke rechten, gelijke kansen en meritocratie. Wanneer de economie sputtert en de bevolking ouder wordt, gebruiken de elites dit meritocratisch argument niet meer als emancipatorisch verhaal maar als strafstok: indien iemand alle kansen heeft gekregen, mag de “pampering” op een bepaald moment eindigen. De formele gelijkheid van het kapitalisme wordt dus als ideologisch wapen ingezet tegen de gedomineerde klassen. Op die manier worden sociale verworvenheden afgeschilderd als “privileges” die de “economische ontwikkeling” in het gedrang brengen.
Als antwoord kan men sociale klasse waarschijnlijk best bevestigen, niet als een neutraal sociologisch feit, maar als onrecht. Onbegrensde uitbuiting, nachtelijke werkuren, periodes van werkloosheid, gebroken ruggen en moeilijkheden om de huur te betalen: meer dan feiten zijn het sociale onrechtvaardigheden die de werkende klasse disproportioneel ondergaan om de welvaart van mensen hogerop te stutten. De werklozen die verdwijnen achter abstracte cijfers in officiële rapporten hebben verhalen, waarin meestal een sociale belediging aanwezig is. Zonder hun eigen keuzes te ontkennen, mogen we hun situatie zien als een straf die de samenleving uitroept over haar laagste klassen. Het huidig verzet tegen autoritair neoliberalisme kan zichzelf daarom begrijpen als een afrekening met het sociaal onrecht van klassendominantie. “J’écrirai pour venger ma race,” schrijft Ernaux. We zouden er iets van kunnen leren.
Noten
[1] Nicos Poulantzas, Pouvoir politique et classes sociales (Parijs: François Maspero, 1968).
[2] We negeren even hoe juridische ongelijkheden (bij arbeidsmigranten, onbetaalde arbeid, slavernij,…) ook altijd zijn blijven doorwerken in het kapitalisme, en misschien enkel sterker zullen worden. Zie Sandro Mezzadra en Brett Neilson, Border as Method, or, the Multiplication of Labor (Durham: Duke University Press, 2013).
[3] Karl Marx, Het Kapitaal: Een kritische beschouwing over de economie (De Haan: Haarlem, 1978), p. 115.
[4] Ernesto Screpanti, “Capitalist forms and the essence of capitalism”, Review of International Political Economy (VI, 1, 1999), 5.
[5] We verwijzen hiervoor naar de synthese geschreven voor Aktief: Dimokritos Kavadias, “Onderwijs in Vlaanderen: tussen individuele merite en sociaal stigma”, Aktief (1, 2022), pp. 4-5.
[6] Individuen verliezen meer en meer de capaciteit om hun eigen sociale autobiografie te reconstrueren aan de hand van hun sociale omgevingsfactoren. Zie: Richard Sennett, The Corrosion of Character. The Personal Consequences of Work in the New Capitalism (London/New York: W.W. Norton & Company, 1998).
[7] Ernaux beschrijft het klassengeweld dat ze tijdens de operatie na haar abortus moest ondergaan. “Ik ben de loodgieter niet!” riep de jonge chirurg toen Ernaux smekend vroeg wat ze na haar abortus met haar lichaam gingen doen. Later schrijft ze: “En die zin, die hij misschien wel ontleend had aan een sketch van Fernand Raynaud waar heel Frankrijk destijds om moest lachen, blijft de wereld in mij indelen volgens een bepaalde hiërarchie, knuppelt de artsen als het ware los van de arbeiders en van de vrouwen die abortus plegen, scheidt de overheersers van de overheersten.” Van een andere arts schrijft ze “dat hij in staat was haar te laten sterven” als ze niet zou zweren om nooit meer clandestien abortus te laten plegen. Uit Annie Ernaux, Het voorval (Amsterdam: De Arbeiderspers, 2022 [2004]).
[8] Chantal Jaquet, Les transclasses ou la non-reproduction (Parijs: PUF, 2013).
[9] Christodoulidis, Emilios, “Social Rights Constitutionalism: An Antagonistic Endorsement” (2017). Beschikbaar bij SSRN: https://ssrn.com/abstract=3181117