De lange strijd voor gelijke rechten van de zwarte bevolking in de VS – het verhaal van Martin Luther King

De revolte van zwarte mensen in de VS na WOII viel niet uit de lucht. Een hoogtepunt werd bereikt in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw. Martin Luther King was een van de gangmakers en bezielers van die protesten.

De slavernij, apartheid en segregatie, de voortdurende vernederingen en de gruwel van lynchpartijen: ze waren niet vergeten door zij die ze hadden ondergaan, noch door hun nakomelingen. In het Zuiden hadden communisten successen geboekt met het vakbondswerk in de mijnen en bij de werklozen, wat hun bewondering door de zwarte bevolking had opgeleverd. Meegaan in het anticommunisme dat toen wild om zich heen sloeg was dan ook een luxe die zwarte mensen zich niet konden permitteren: de communistische partij was uiteindelijk hun eenzame verdediger.
Tijdens WOII werden Amerikanen van kleur beloofd dat er een einde zou komen aan discriminatie en segregatie. Daar zou echter weinig van in huis komen. Verandering van bovenaf kwam slechts geleidelijk en was vooral gemotiveerd uit angst voor het imago van de VS op het wereldtoneel. Een grote groep mensen uitsluiten van burgerrechten zou hen niet toelaten om hun zopas verkregen hegemonie in stand te houden, noch om hun soft power verder te ontwikkelen.
Truman voerde daarom een wet in die discriminatie op basis van huidskleur in het leger ongedaan moest maken. Maar zoals bij veel andere antidiscriminatiewetten talmde hij met uitvoeringsbesluiten om de wet in de praktijk om te zetten. Bijvoorbeeld: in 1954 verbood het Hooggerechtshof de segregatie in de openbare scholen, terwijl 11 jaar later nog steeds 75 % van de scholen in het Zuiden strikt gescheiden zouden blijven. De zwarte bevolking leefde op een tijdbom die vroeg of laat moest ontploffen.
1 december 1955: Rosa Parks doorbreekt de rassenscheiding in de openbare bussen
Rosa Parks, in Montgomery in de staat Alabama, kwam die dag in 1955 moe terug van het werk en zette zich zonder veel nadenken op een zitje achteraan in de bus. Dat zitje moest zij volgens de wet evenwel afstaan aan een witte mens als de zitjes voor witte mensen vooraan volzet geraakten. Rosa weigerde en de chauffeur verwittigde de politie, waarop ze de gevangenis in werd gegooid. Onder aanvoering van hun leiders, waaronder Martin Luther King, besloot de zwarte gemeenschap de stadbussen te boycotten. Vervolgens werden ook die leiders gevangen gezet. King was toen 27 jaar. Zijn voordeur werd beschoten en er gebeurde een bomaanslag op zijn woning. Door volgehouden verzet maakte het hooggerechtshof in 1956 een einde aan de rassenscheiding op de bussen.
In de nasleep van deze overwinning werden christelijke hymnen omgezet in strijdliederen over de “American Dream” waar zwarte mensen van uitgesloten werden. De burgerrechtenbeweging hield in die periode een pleidooi voor volgehouden niet-gewelddadig verzet. Zo’n niet-gewelddadige actievormen lieten toe om héél de gemeenschap en ook antiracistische witte mensen in de acties te betrekken. King preekte dat het niet alleen ging om de zitjes in de bussen. Hij pakte ook andere vormen van discriminatie, apartheid en segregatie aan. Als de predikant die hij was hield hij voor dat ze het democratisch recht hadden te protesteren en dat ze tegenover de tegenstanders het wapen van de liefde moesten gebruiken. Want was de haat tegen de zwarte medemens niet aangeleerd aan de voorstanders van apartheid en racisme?

Maar er groeide ook een tendens dat zo’n geweldloos passief verzet naïef en niet vol te houden was. Zwarte mensen hadden het recht tegengeweld te gebruiken om zich te verdedigen. De Ku Klux Klan had een verleden van lynchen, huizen afbranden en extreem geweld tegen zwarte mensen. Het gebeurde evenwel dat de Klan bij de aanval op huizen van zwarten werd verdreven met geweerschoten. Langs de andere kant drukte de politie met groot geweld en massale aanhoudingen zitstakingen bij gesegregeerde restaurants de kop in. Zo groeide de polarisatie.
Kennedy, die ondertussen president was geworden, probeerde de kool en de geit te sparen. Hij wou zijn witte kiezers in het Zuiden niet verliezen en tegelijk leverde hij lippendienst aan de actievoerders en hun achterban. De wetten van 1960 waren in de Zuiderse Staten namelijk dode letter gebleven. Om de wetswijzigingen tegen segregatie in het openbaar vervoer werkelijk af te dwingen, moet de federale staat zijn verantwoordelijkheid nemen – aldus de ‘Freedom Riders’, zoals deze actievoerders genoemd werden. Zij reisden met niet-gesegregeerde interstatelijke bussen over de staatsgrenzen heen naar het Zuiden. Daar werden niet-gesegregeerde bussen door racistische organisaties als de Ku Klux Klan en de lokale overheden nog altijd niet geaccepteerd. FBI-agenten keken lijdzaam toe hoe zwarte actievoerders in elkaar werden geslagen, soms werden vermoord, hoe hun bussen in brand werden gestoken, … . Opnieuw, gearresteerd werden niet de geweldplegers maar … de actievoerders.
Robert Kennedy, minister van justitie en broer van de president, sloot – om gewelddadige aanvallen op de actievoerders te vermijden en zelfs levens te redden – een deal met het plaatselijk bestuur in Jackson, Mississippi. De plaatselijke overheid zou de Freedom Riders mogen arresteren op voorwaarde dat de overheid hen zou beschermen tegen raids op de gevangenis door de Klan en andere racistische groeperingen. Onder die gevangenen bevonden zich veel jongeren, zoals Stokely Carmichael die later één van de iconen van de ‘Black Power’-beweging zou worden, en zelfs jonge kinderen. Zo werd al een volgende generatie actievoerders klaar gestoomd.
Het afranselen en gevangen zetten van zwarte actievoerders werd routine. Talloze zwarte mensen ondergingen dit lot. Van de 22 000 zwarte inwoners van het stadje Albany, Georgia kwamen er meer dan 1000 in de gevangenis terecht. Dit belette niet dat de acties verder gingen op steeds grotere schaal. Tot voor het Witte Huis in Washington werd gedemonstreerd en vervolgens ook in de noordelijke staten.
28 augustus 1963: de mars van de 250 000 op Washington en ML Kings toespraak “I have a dream”

Veel acties gebeurden in de wijken, om zwarte kiezers te registreren. President Kennedy en de elite rond hem trachtten het protest en de woede te kanaliseren naar het stemhokje. Hij wilde, om het grof te zeggen, dat het bleef bij beleefd geformuleerde verzoekschriften, rustige bijeenkomsten en demonstraties zonder dat er daarom fundamentele veranderingen werden doorgevoerd op andere gebieden.
In die sfeer kwam op 28 augustus 1963 de mars op Washington tot stand, waar Martin Luther King zijn legendarische toespraak hield “I have a dream”. In deze briljante toespraak refereerde hij aan de Amerikaanse grondwet dat alle mensen gelijk geschapen zijn. Hij droomde ervan dat de mensen niet meer beoordeeld zouden worden op hun huidskleur, dat “de zonen van voormalige slaven en de zonen van voormalige slavenhouders in staat zouden zijn aan te schuiven aan de tafel van broederschap.” De toespraak ging als een schok door de 250 000 zwarte en witte deelnemers, maar kreeg ook een geweldige weerklank in de hele wereld. Tegelijkertijd werden evenwel alle zinnen die de federale regering aanklaagden en alle oproepen tot militant verzet door de censuur uit de toespraak geschrapt.
Van rustige betogingen naar militant verzet in heel het land, ook in het Noorden
President Kennedy kon dan wel enigszins de woede en het protest in het voordeel van de Democratische Partij recupereren, op het terrein bleven bommen ontploffen in kerken, kwamen kinderen om in die kerken, bleef de armoede woeden in de getto’s en werden actievoerders nog steeds aangehouden of vermoord. Zo werden in november 1964 drie burgerrechtenactivisten vermoord in Philadelphia. Later bleek dat de plaatselijke sheriff en zijn medewerkers deze moord op hun geweten hadden.
Na de moord op president Kennedy trad Johnson aan als president. Hij begreep dat de toestand uit de hand zou lopen en dat het democratisch imago van de VS ernstige schade zou lijden als er geen drastischer toegevingen zouden komen. Want de wereld keek met grote belangstelling toe. Mensen die zich als kiezer wilden registreren kregen bescherming door de “Voting Rights Act”. Het aantal zwarte kiezers steeg spectaculair. Onder Trump II werd deze weer afgevoerd door het Hooggerechtshof, zodat een redelijke vertegenwoordiging van de zwarten in het Congres op de helling komt te staan. De afschaffing laat toe verregaande “gerrymandering” toe te passen. Daardoor kan de indeling van kiesdistricten zodanig worden aangepast dat zwarte kiezers, meestal stemmers voor de Democratische Partij, in de minderheid worden gesteld en zo ondervertegenwoordigd geraken.
De precaire situatie van de meeste zwarte mensen bleef maar voortduren. In 1963 was 4,6 % van de witte mensen werkloos tegen 12,1 % niet-witte mensen. Van de witte mensen leefde 20 %, toch ook niet geruststellend, onder de armoedegrens, terwijl liefst 50 % van de zwarte mensen in armoede leefde. In Harlem, de zwarte wijk van New York, ging de zwarte bevolking al jarenlang naar de stembus, maar ze leefde nog altijd in krotten.
In 1965 braken in Watts, Los Angeles, stedelijke rellen uit nadat een zwarte chauffeur door de politie was gemolesteerd. 34 mensen vonden de dood, honderden werden gewond en nog meer mensen werden in de gevangenis gegooid. Terwijl vreedzaam verzet nog een tactische noodzaak was in het begin van de strijdbeweging, wilden zwarte militante bewegingen niet langer meer de “andere kaak” aanbieden. In die omstandigheden voelde een figuur als Malcolm X beter de verzuchtingen aan van de zwarte bevolking dan King.

Het verzet brak door in het hele land. Dat had ook te maken met demografische verschuivingen. Terwijl in 1910 nog 90 % van de zwarten in het Zuiden woonden, verbleef in 1965 zowat 50 % van de zwarten in het Noorden, vooral in de steden. Bij protest in 1967 in de zwarte getto’s werden de doelwitten bewuster gekozen: symbolen van witte macht, van de rijkdom van de witte elites werden aangevallen. De meeste doden vielen in Detroit en Newark, beide steden in het Noorden.
In het zog van die rellen ontstond in 1967 “Black Power”. Black Power wilde zich niet meer laten ringeloren door loze beloften van de regering en brak met wit paternalisme. De wereld herinnert zich nog dat 2 zwarte Amerikaanse atleten op de Olympische Spelen van 1968 als uiting van protest tegen de discriminatie in hun land hun gebalde vuisten omhoogstaken bij de ceremoniële overhandiging van de medailles.
Het Congres vaardigde in 1968 de “Civil Rights Act” uit. In naam waarborgde die gelijkberechtiging, maar in feite werd het vooral een instrument om protesten te beteugelen. Wie deelnam aan rellen, ze mee organiseerde of ze promootte kon een gevangenisstraf krijgen van 5 jaar. Maar politiemensen, leden van de National Guard en van het leger konden niet gestraft worden voor een gewelddadig optreden in de onderdrukking van de protesten.
Martin Luther King: naar militant pacifisme tegen armoede en oorlog
Martin Luther King concentreerde zich alsmaar meer op problemen als armoede en oorlog. Net waar de Civil Rights Act niet over ging. Hij onderstreepte de band tussen armoede en oorlog: “Als kanonnen en machinegeweren een obsessie worden zijn de sociale voorzieningen daar onvermijdelijk het slachtoffer van”. Deze uitspraak, toen gemaakt tegen de oorlog in Vietnam, is vandaag heel toepasselijk op de situatie in Europa. Ook in onze contreien wordt de militarisering vandaag betaald door de afbraak van de sociale zekerheid.
Vanaf dan werd King een belangrijk doelwit van de FBI. Zij bedreigden hem, chanteerden hem, tapten zijn telefoon af. Toen hij in Memphis (stad in Tennessee) was om een staking van de huisvuilophalers te steunen, werd hij in 1968 op het balkon van zijn hotelkamer doodgeschoten door een sluipschutter. Opnieuw braken er rellen uit. De meeste rechtbanken waren echter niet bereid om de zwarte bevolking te verdedigen tegen politiegeweld. Politiemensen die zwarte mensen vermoordden werden systematisch vrijgesproken.
De regering volgde een tweesporenbeleid. Terwijl het Congres toegevingen deed, vernietigde de FBI alle militante organisaties die zich richtten op armoedebestrijding en de facto de klassenstrijd voorstonden. Zo werd ook Fred Hampton, een leider van de “Black Panthers” in zijn bed vermoord door de FBI. De oprichting van een revolutionaire arbeidersbeweging was voor het establishment veel gevaarlijker dan de burgerrechtenbeweging, omdat ze zwarte en witte werkende mensen kon verenigen in hun strijd.
In het midden van de jaren 70 deemsterde het protest wat weg, maar omdat op het terrein de situatie niet verbeterde kwam de strijdwil mettertijd onvermijdelijk weer bovendrijven, bijvoorbeeld in “Black Lives Matter” of in de strijd tegen de agenten van de immigratiedienst ICE (Immigration and Customs enforcement) die willekeurig op straat, thuis, in het bedrijf of op school immigranten oppakken en deporteren. Belangrijk is dat er al een grote mate van samenwerking is gegroeid tussen verschillende bevolkingsgroepen en dat ook de vakbondsstrijd weer opgelaaid is. Wijlen Martin Luther King zei het zo: “As the negro wins, labor wins” – vrij vertaald: “Als de zwarte mens wint, wint de hele werkende klasse.”
Geraadpleegd: Howard Zinn, Geschiedenis van het Amerikaanse volk, Howard Zinn en uitgeverij EPO vzw, 2007