4 jun 2026

De sociale afbraak als regeringsprogramma

In de marge van de sociale actiedagen van mei wordt steeds duidelijker hoe sociale achterstelling, uitsluiting en onderdrukking uitgroeien tot kerninstrumenten van een beleid dat de sterksten ontziet en de zwaksten laat betalen.

De essentie

Sociale achterstelling, sociale uitsluiting en sociale onderdrukking vormen nauwelijks verholen beleidsprioriteiten van een regeerploeg die volledig ten dienste staat van het establishment. De zwakkere schouders worden voortdurend gedwongen de zwaarste lasten te dragen.

Alles wordt in het werk gesteld om vermogenden te belonen voor het stelselmatig niet opnemen van hun fiscale verantwoordelijkheid. “Tax the rich” voorkomen en vermijden: daarin blinkt de huidige meerderheid uit.

Uitsluiten is een werkwoord dat het fasciserende regeerplatform vlot gebruikt in alle tijden en wijzen om zijn boodschap van haat en verdeeldheid uit te dragen. De willekeur van de wet van de sterkste wordt opgelegd als richtsnoer van het regeerbeleid.

Het opnemen van sociale rechten wordt geculpabiliseerd. Activeren en responsabiliseren worden zo instrumenten van repressie tegen de werkende klasse, ten dienste van de fiscale vrijstelling van kapitaal en vermogenden.

De verpaupering van de bevolking wordt een perspectief. Armoede wordt opnieuw voorgesteld als een falen van de armen zelf. Dakloosheid wordt een tolereerbaar gevolg van politiek exclusiebeleid.

Respect voor de waardigheid van de mens wordt meer dan ooit een ijdel woord. De rechtsstaat wordt consequent gefasciseerd. Die fascisering is een internationale afrekening met de werkende klasse en de behoeftigen.

Zo typeert het fenomeen het kapitalisme steeds duidelijker als een megamisdaad tegen de mensheid. Tegelijk imploderen de arbeidsbeschermende wetgeving en de sociale dialoog. Syndicale organisaties en sociale tegenmacht worden permanent geviseerd.

Achterstelling, uitsluiting en onderdrukking

Sinds het neoliberalisme enkele decennia geleden rechtstreeks leidde tot de gestage vereffening van de sociale staat en de vermarkting van sociale verhoudingen, is de arbeidersbeweging een bekend patroon gewoon geworden.

Bij elke nieuwe regering worden werkenden gevraagd om “even” iets in te leveren, zogezegd in afwachting van de sanering van de overheidsuitgaven. Die inspanning wordt dan voorgesteld als onderdeel van een algemene besparing voor de hele bevolking.

Zijdelings krijgen werkenden te horen dat een onbetaalbare sociale factuur eigenlijk de hoofdoorzaak zou zijn van de benarde staatshuishouding. In de Belgische context moet de aanwezigheid van “socialisten of wat daarvoor doorgaat” de werkende klasse geruststellen.

Die aanwezigheid moet geloofwaardigheid verlenen aan de neoliberale analyse van de begrotingsproblematiek. Officiële commentaar voegt daar snel aan toe dat zogezegd links in de regering de sociale inlevering nog heeft kunnen milderen.

Die boodschap heeft een dubbel doel. Ze moet de syndicale organisaties paaien, omdat betrouwbare politici in de regering zogezegd waken over de omvang van de gevraagde sociale offers.

Tegelijk is ze bedoeld voor de zogezegd syndicaalvriendelijke politici zelf. Zij stellen zich voor als mensen die zich willen opofferen voor het sociale algemeen belang en bereid zijn de bijhorende impopulariteit te aanvaarden.

Na meer dan vier decennia neoliberaal beleid is die retoriek echter behoorlijk versleten. Steeds duidelijker blijkt dat de opgedane expertise in sociale vereffening het echte handelsmerk is geworden van pseudo-links.

Gevaccineerd tegen dat soort reële politiek kan de sociale beweging best wat sociaal gehuichel verdragen. Maar de huidige regering, opnieuw gesteund door zogezegd links, overtreft al haar voorgangers in de vernedering van de werkende bevolking.

Sociale achterstelling, sociale uitsluiting en sociale onderdrukking worden schaamteloos en nauwelijks verholen gehanteerd als beleidsprioriteiten. Ze laten zich samenvatten in drie gedragsregels die het regeringsbeleid in de praktijk sturen.

De zwakkere schouders moeten altijd de zwaarste lasten dragen: dat is sociale achterstelling. Armoede en dakloosheid worden opnieuw aangerekend als fouten van de arme en de dakloze zelf: dat is sociale uitsluiting.

De wet van de sterkste wordt ongecomplexeerd opgelegd waar dat kan, en in stilte ondergaan waar dat moet: dat is sociale onderdrukking. Het grondrecht op een menswaardig leven wordt daaraan ondergeschikt gemaakt.

Beleidsvoerders roepen dat grondrecht enkel nog in wanneer het verenigbaar is met die regels. Als voetnoot bij het inleveringsbeleid komt het uitstekend tot zijn recht als ijdel begrip uit een lang vervlogen tijd.

Concreet betekent dit dat enkel nog een constitutionele rechter sociale achteruitstelling kan terugdraaien, en dan alleen op vraag van de geviseerde personen zelf. De bescherming wordt zo herleid tot een moeizame individuele procedure.

De sociale achterstelling

Het regeerbeleid illustreert helder de algemene draagwijdte van een richtsnoer dat tegelijk het fiscale beleid, het sociale beleid, de pensioenen en het beleid inzake arbeidsverhoudingen beheerst.

Sociale achterstelling heeft een algemeen en een specifiek luik. Het algemene luik hangt samen met de hardnekkige weigering van neoliberale beleidsvoerders op alle niveaus om vermogenden en kapitalisten aan te spreken op hun fiscale solidariteitsplicht.

Anders gezegd: vooral loon- en weddetrekkenden, uitkeringstrekkers en zelfstandigen staan in voor het gros van de staatsinkomsten uit belastingen. Vermogenden en kapitalisten melden zich afwezig wanneer het op meebetalen aankomt.

Maar zij zijn wel thuis wanneer het erom gaat te genieten van de structuren van de staat. Het belasten van grote vermogens komt immers niet voor in het neoliberale woordenboek, zelfs niet om manifeste tekorten te dekken.

Men wringt liever werkenden en gelijkgestelden nog verder uit, terwijl men hen tegelijk blijft culpabiliseren en responsabiliseren. De climax van die neoliberale hypocrisie is de weigering om de gevolgen van decennialange inleveringen te erkennen.

Jarenlange druk op lonen, wedden en uitkeringen verarmt en verpaupert de werkende klasse steeds verder. Maar wat doet men niet allemaal om de vaandeldragers van het neoliberale evangelie te ontzien?

Sociale verongelijking van de werkende klasse is daardoor zelfs geen vloek meer. Ze is uitgegroeid tot een vaste techniek van neoliberale regeerders en duikt op in diverse takken van de sociale zekerheid.

Ook in de pensioenen zijn de grotere verdieners telkens beter af. Dezelfde sociale verongelijking heeft haar weg gevonden naar andere maatschappelijke domeinen, zoals woonbeleid, onderwijsbeleid en gezondheidszorg.

Het liberale cynisme is echter ongeëvenaard wanneer het gaat over de kosten van militarisering. Aangemoedigd door de Europese Unie wordt het gros van de factuur voor onnodig wapentuig doorgeschoven naar de sociale uitgaven.

Die besparingen treffen opnieuw de zwaar belaste en sociaal achtergestelde werkende klasse. Waarschijnlijk zal zij straks ook fysiek mogen “betalen” door de nodige miliciens te leveren.

Alles lijkt geoorloofd om gemeenschapsgeld, dat had moeten dienen om de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen, te verkwanselen aan de wapenindustrie. Ook dat is sociale achterstelling in haar meest cynische vorm.

De sociale uitsluiting

Armoede en dakloosheid zijn opnieuw verworden tot fouten die worden aangerekend aan het falen van armen en daklozen zelf. Ze worden aanvaardbare gevolgen van een politiek van sociale uitsluiting.

Sociale uitsluiting is een begrip dat vele ladingen en nog meer realiteiten dekt. Vaak zijn die rechtstreeks of onrechtstreeks verbonden met de afbouw en de ontmanteling van de sociale verzorgingsstaat.

Die verzorgingsstaat voorzag ooit in opvangmaatregelen voor mensen in sociale noodsituaties: een acuut tekort aan bestaansmiddelen, een dringende behoefte aan onderdak of voeding, of andere vormen van acute kwetsbaarheid.

Uitsluiting kan dan worden omschreven als het niet, of niet langer, toelaten van mensen in sociale nood tot wettelijke stelsels van bijstand en ondersteuning van uiteenlopende aard.

Dat gebeurt zelfs wanneer die uitsluiting strijdig is met het recht op eerbied voor de menselijke waardigheid. De uitsluiting kan institutioneel zijn, maar even goed feitelijk verlopen via bestuurlijke inertie of politieke onverschilligheid.

Hoe dan ook dekt sociale uitsluiting een groeiende waaier aan situaties waarin mensen bewust door besturen en overheden in de marge van de samenleving worden gedropt, of daar gewoon worden achtergelaten.

Een extreem gebrek aan bestaansmiddelen, voeding en onderdak zijn daarbij de belangrijkste indicatoren. Het gaat om mensen met migratieachtergrond, maar ook om autochtonen zonder leefloon of mensen die uit sociale uitkeringsstelsels zijn verwijderd.

Het gaat ook om werkenden van wie het loon niet langer volstaat om hen uit de armoede te houden: de zogenaamde werkende armen en daklozen. Ook zij worden steeds vaker aan hun lot overgelaten.

Nog niet zo lang geleden konden politieke beleidsvoerders zulke toestanden niet openlijk tolereren. Vandaag zorgen aanhoudende rechtse haatcampagnes tegen de zwakkeren ervoor dat armoede en dakloosheid politiek aanvaardbaar worden gemaakt.

Armen en daklozen overleven amper bij de gratie van ngo’s en filantropie. In de ogen van een groeiende groep beleidsvoerders is hun penibele toestand vooral het gevolg van persoonlijk falen.

In veel opzichten lijkt de politiek een vergelijkbare houding te hebben aangenomen tegenover gevangenen. Ook zij worden door opeenvolgende regeringen blijkbaar niet langer waard geacht om uit hun extreme menselijke ellende te worden gehaald.

Anders gesteld: de politieke goegemeente lijkt, trouw aan de neoliberale doctrine, overtuigd van de overbodigheid van hele menselijke cohorten voor de markteconomie. De amorele boodschap luidt dus: wegwerpen.

Die houding blijft niet zonder gevolgen voor de algemene beleving van mensenrechten, de liberale rechtsstaat en de democratie. Hun wortels worden langzaam maar zeker aangevreten door deze georganiseerde onverschilligheid.

De sociale onderdrukking

De wet van de sterkste wordt complexloos opgelegd waar dat kan, en in stilte ondergaan waar dat moet. Dat is de kern van sociale onderdrukking.

Aan sociale onderdrukking kleven een individueel en een collectief facet. Economische, sociale, politieke en militaire dwangmiddelen kunnen daarbij allemaal worden ingezet om onderwerping af te dwingen.

Van meet af aan moet worden gezegd dat de markt en de vermarkting een stelselmatige economische repressie voortbrengen. Alleen al doordat zij werkenden en uitkeringstrekkers aan concurrentie onderwerpen, ontstaat een onderdrukkend mechanisme.

Door mensen in onderlinge wedijver te plaatsen, verwerft degene die de markt beheerst een machtspositie tegenover wie aan die concurrentie wordt blootgesteld. De markt werkt dus niet neutraal, maar hiërarchisch.

Terloops moet worden opgemerkt dat sociale wetgeving in eerste instantie bevrijdend werkt. Zij mildert de sociale concurrentie en haar onderdrukkende gevolgen, of probeert die zelfs weg te werken.

Wie mensen opnieuw volledig aan marktwerking onderwerpt, of bestaande bescherming afbouwt, laat de wet van de sterkste spelen. Lees: de wet van kapitaalbezitters en eigenaars van productiemiddelen.

Als autocratie en dictatuur van het kapitaal bouwt de onderneming de onderwerping van arbeid uit, met de interne arbeidsmarkt als kern. Arbeid wordt daarin voortdurend georganiseerd, beoordeeld en gedisciplineerd.

Door werknemers en uitkeringstrekkers expliciet te activeren en te responsabiliseren, kiest een antisociale wetgever openlijk voor een verzwaring van de bestaande concurrentiedruk. Daarover mag geen twijfel bestaan.

Om antisociale of economische redenen uitsluiten, is repressie. Het is onderdrukking. De technieken die de voorbije decennia werden ingevoerd om lonen, wedden en uitkeringen te blokkeren of te verlagen, zijn economische repressiemaatregelen.

Ze zijn telkens toepassingen van de wet van de sterkste. Met de fascisering van de samenleving deinzen vermogenden en kapitalisten er bovendien niet langer voor terug om repressie in te zetten die verwant is aan fysiek geweld.

De werkende klasse wordt onderdrukt door de samenleving stelselmatig te militariseren. De kosten van die operatie worden uiteindelijk betaald met sociale middelen die beter hadden gediend voor bescherming, zorg en bestaanszekerheid.

We spreken van collectieve repressie van de werkende klasse wanneer we maatregelen bekijken die in de eerste plaats gericht zijn tegen de sociale tegenmacht, of die haar bestaan rechtstreeks bedreigen.

Tot vandaag liggen die maatregelen doorgaans niet op wetgevend vlak. Het gaat veeleer om interventies in de uitoefening van gezag door rechters en bestuurders, vaak via oneigenlijk en onwettig gebruik van macht.

Denk aan administratieve boetes waarvoor de overheid geen passende rechtsgrond heeft. In een vergelijkbaar bedje zijn ook burgerlijke rechters ziek die zonder adequate wettelijke basis en arbitrair stakersposten verbieden.

Aan die onwettige verboden worden vervolgens dwangsommen gekoppeld. Dat het in beide gevallen niet om rechtsgegronde maar om machtsgegronde beslissingen gaat, biedt slechts halve troost.

De onwettige beslissingen blijven immers onmiddellijk uitvoerbaar. Ze kunnen pas worden opgeheven nadat een gedupeerde burger of organisatie een hogere gezagsinstantie heeft gevat en die heeft overtuigd van de juridische ongeoorloofdheid ervan.

Repressie via de wet van de sterkste laat de macht van gezagsuitvoerders feitelijk primeren op respect voor rechtsorde, rechtsstaat, grondrechten en mensenrechten. De fascisering vormt daarvan de politieke oorzaak.

De wet van de sterkste ondergaan

Wanneer nationale gezagsvoerders worden geconfronteerd met een economisch of politiek overwicht aan macht, moeten zij de wet van de sterkste vaak in stilte ondergaan.

In een wereldorde die, anders dan vroeger, minder wordt beheerst door internationaal recht, grondrechten en de rechtsstaat, wordt de toepassing van de wet van de sterkste steeds moeilijker juridisch gecorrigeerd.

Nochtans maakt die toepassing al snel het voorwerp uit van gegronde rechtskritiek. Vaak is die gebaseerd op schendingen van humanitair recht, oorlogsrecht of fundamentele mensenrechten.

In de huidige internationale verhoudingen, gebouwd op de wet van de sterkste, overheerst de angst voor represailles van de machtigere speler. De minder sterke aarzelt daardoor om schendingen van mensenrechten openlijk aan te klagen.

Wanneer machtsoverwicht de ultieme legitimatie wordt van overheidsoptreden, staat de deur wagenwijd open voor misdaden tegen het humanitair recht, tegen het oorlogsrecht en voor genocides allerhande.

Daarom is respect voor de rechtsstaat en de mensenrechten ondeelbaar. Nationaal respect vindt zijn verlengde in het internationale, en omgekeerd. Wie het ene ondergraaft, ondergraaft uiteindelijk ook het andere.

Conclusie

Meer dan ooit moet worden ingezet op versterking van de sociale tegenmacht. Alleen zo kunnen de rechtsstaat, de grondrechten en een op recht gebaseerde internationale wereldgemeenschap worden verstevigd.

De strijd voor grondrechten begint met het afstoppen van sociale achterstelling, sociale uitsluiting en sociale onderdrukking. Juist die drie vormen zijn vandaag zo dierbaar aan de huidige regeerploeg.

Marc Rigaux is voorzitter van het Masereelfonds Antwerpen