
“De ‘exorbitante privileges’ van de internationale reservemunt […] komen met verantwoordelijkheden.” Christine Lagarde, voorzitter van de ECB, wond er weinig doekjes om: de VS zorgt voor voortdurende instabiliteit op de wereldmarkt. Maar de wereldeconomie is nog steeds gedollariseerd, handelstransacties worden in grote mate uitgevoerd in de Amerikaanse munteenheid. Welke alternatieven hebben andere landen om de dollar te vermijden? Welke nieuwe moeilijkheden komen daarbij kijken? In het complexe bordspel van een tanende Amerikaanse hegemonie pogen politici elkaar vaak stokken in de wielen te steken. Maar het zijn ook de marktkrachten die een alternatief verhinderen.

Brecht Rogissart is doctoraatsonderzoeker aan de European University Institute. Als historicus en politiek econoom spitst zijn onderzoek toe op financiële geschiedenis en crisistheorie.
Onze tijd wordt gekenmerkt door tal van versnellende geopolitieke en economische veranderingen, waarbij alle belangrijke actoren pogen het mondiale spel naar hun hand te zetten. Het is geen toeval dat in juni 2025 Lagarde aankondigde dat het tijdperk van de “globale euro” moest aanbreken. Lagardes doel is om verder te bouwen op de solide positie van de euro als de tweede belangrijkste wereldmunt. Europa moet dienen als veilige monetaire haven voor de financiële wereld, omdat de VS onherstelbare reputatieschade blijft oplopen. Landen zullen meer vertrouwen hebben in de euro omdat de EU economische coöperatie vooropstelt, wat in schril contrast staat met het Amerikaanse agressieve zero-sum denken.
Lagarde somt ook mooi op wat nodig is om de euro op te waarderen als wereldmunt. De EU moet werk maken van haar geopolitieke geloofwaardigheid, institutionele integriteit en economische weerbaarheid. De Europese staatsmacht is onvoldoende opgebouwd om de opgepotte liquiditeiten van mondiale spelers te waarborgen. Haar politieke stabiliteit kan nog te veel beïnvloed worden door een buitenlandse macht – Rusland dat in haar nek staat te hijgen – of geboycot worden door een dissidente regeringsleider zoals Orban. Enkel een sterke, gecentraliseerde Europese staatsstructuur kan internationale kapitaalmarkten ontwikkelen en beheren. Het strategische beleid is erop gericht de grootste marktspelers te overtuigen van de stabiliteit en geloofwaardigheid van de euro. Enkel zo kunnen alle mondiale financiële wegen omgeleid worden naar Frankfurt.
In de eerste plaats moet dergelijke sterke staat de marktwerking faciliteren, maar marktspelers willen niet dat staatsapparaten autonoom te pas en te onpas interveniëren in de kapitaalstromen. De staat moet ook voldoende flexibiliteit aanbieden. Marktspelers willen namelijk snel kunnen wisselen van munt en willen beschikken over tal van financiële instrumenten om maximaal te profiteren van wijzigende internationale omstandigheden. Een woord als “kapitaalcontrole” klinkt nooit goed in hun oren.
Marktspelers spreken liever over “vertrouwen” in plaats van de machtsverhoudingen als zodanig te benoemen. Robert Rubin, minister van Financiën onder Bill Clinton en voormalig medevoorzitter van Goldman Sachs, was zich maar al te bewust van de politieke broosheid van dat vertrouwen. De dollar is dan wel oppermachtig, politici moeten geen al te wilde ideeën spuien over hoe een economie wordt ingericht. Hij waarschuwde die politici dat “de rol van de dollar als reservemunt niet mag worden ondergraven. Zodra je het doet, word je minder betrouwbaar.”
Het behoud van het “vertrouwen” van de markten is ook wat Bart De Wever opwierp toen Von der Leyen en Merz de Russische activa in Euroclear wilden inzetten voor de bewapening van Oekraïne. De Wever wou vooreerst de Belgische staat indekken tegen wettelijke aansprakelijkheid in deze mogelijk juridisch betwistbare confiscatie. Maar hij was ook bezorgd over het mondiale statuut van de euro indien Euroclear, een essentiële bouwsteen in de mondiale financiën, gebruikt zou worden voor Europese realpolitik. Vooral niet-Westerse politieke dynastieën, oliemagnaten, vastgoedtycoons en grondstofspeculanten keken met argusogen naar het Europese gekibbel. Wie weet welke tegoeden morgen doelwit kunnen worden? De Wever verdedigde met succes hun “vertrouwen” in de euro, ten nadele van de overlevingsstrijd van onze Oekraïense buren.
De VS is het enige land dat decennialang dat marktvertrouwen kon negeren om stelselmatig haar macht over de dollar in te zetten als hefboom in de wereldpolitiek. Edward Fishman beschrijft in Chokepoints (2025) hoe de Iraanse oliedollars op de financiële markten werden geïsoleerd als middel om een nucleaire deal af te dwingen. Daarna hebben Amerikaanse beleidsmakers Chinese techbedrijven en de Russische Centrale Bank verbannen uit die financiële circuits. Telkens opnieuw stelde de VS de financiële spelers voor een dwingend dilemma: ofwel handel je met ons, ofwel met hen. De elementaire bouwsteen van de financiële infrastructuur is de dollar, waardoor marktspelers snel kiezen voor zekerheid. Ondanks zijn exceptionele wereldmacht blijft het ook voor de Amerikaanse staat steeds zoeken naar een moeilijk evenwicht tussen het garanderen van de marktneutraliteit en politieke manipulatie van die markt.
Niemand weet hoe lang dat evenwicht zal blijven duren. Er bestaat nog steeds geen rivaal voor de dollar als wereldmunt. China heeft een eigen financiële infrastructuur geconstrueerd en opengesteld voor haar bondgenoten (zoals een levenslijn met de Russische Centrale Bank). Maar de Chinese Communistische Partij gaat zeer voorzichtig te werk. De industriële groei verloopt immers via mondiale financiële circuits die in dollars zijn gedenomineerd. “Why change a winning team?”, moeten ze in Peking denken.
De CCP moet ook haar politieke beleid herzien om mondiale marktspelers te kunnen overtuigen. De eigen financiële markten worden opnieuw strikt gecontroleerd en gestuurd om speculatiebubbels te vermijden, maar dat werkt tegelijkertijd afstotend voor westerse institutionele beleggers. Wanneer er een conflict ontstaat over bijvoorbeeld het eigendomsrecht, dan staan de heren van Goldman Sachs nog steeds liever voor een Amerikaanse dan een Chinese rechtbank.
De EU wil zich dus positioneren als derde, maar meest aantrekkelijke partij. Europa zoekt momenteel een nieuwe hefboom in de wereldpolitiek en een globale euro kan Europa meer geopolitieke macht geven op het onzekere internationale toneel. Dit zou bescherming bieden tegen verdere Amerikaanse intimidatie op het vlak van energiebevoorrading, defensie, handel en industriële activiteiten. De binnenlandse gevolgen van een globale euro zijn ook aanzienlijk. Het zet namelijk de kredietsluizen verder open. Dollardominantie heeft decennialang het Amerikaanse consumptiemodel aangestuurd. Wall Street absorbeert gigantische mondiale kredietstromen, die vervolgens hun weg vinden in de Amerikaanse binnenlandse economie. Waarom zou de EU via Frankfurt niet hetzelfde kunnen bewerkstelligen om haar welvaartsstaten nog wat langer overeind te houden?
De oproep voor een “globale euro” is dus een defensieve reactie op zowel een onzekere positie op de wereldmarkt, politieke spanningen tussen lidstaten en groeiend sociaal protest binnen de lidstaten. De geschiedenis van de dollar als wereldmunt kent totaal andere wortels. Tot 1945 vertoonde de VS sterk isolationistische tendensen, hoewel haar industriële groei alle concurrenten overvleugelde. Na de Tweede Wereldoorlog werden de dollar en de Amerikaanse economie centrale hoekstenen voor een stabiele wereldeconomie. Met het Bretton Woods-systeem namen de Amerikanen uiteindelijk, na veel getreuzel en angst voor de Sovjet-Unie, hun mondiale rol op zich.
In de 21e eeuw doet deze geschiedenis meer denken aan China dan aan Europa. Het blijft afwachten of de Chinese industriële groei de renminbi laat uitgroeien tot de nieuwe wereldmunt. Of de euro gemakkelijk die rol kan opnemen, is daarentegen twijfelachtig. Lagarde wil dan wel de geschiedenis naar haar hand zetten, vaak wordt ze door de aarzelende partij geschreven, niet door de willige.