
Progressief Vlaanderen zit reeds enkele decennia in een electorale crisis. Uit een recente peiling blijkt dat Vooruit de behaalde 13% van de stemmen tijdens de verkiezingen van 2024, het op een na slechtste resultaat ooit, niet weet te behouden. Tijdens die verkiezingen wist de partij vooral oudere en middengeschoolde kiezers aan te trekken omwille van hun standpunten over de sociale zekerheid. De regeringsdeelname zal misschien daarom nadelig uitdraaien. Voor Groen betekent een prognose van 7% een slechter resultaat dan in 2024. Groen wist vooral kiezers aan te trekken uit de hogere middenklasse. Deze kiezers zullen voor het eerst aan den lijve ondervinden wat vergaande besparingen op de sociale zekerheid inhouden. Dit maakt een mogelijk gevecht met de kiesdrempel nog een stuk complexer. Waarom slaagden deze twee partijen er telkens opnieuw niet in een groter kiespubliek ideologisch te overtuigen? Veel heeft te maken met de vorm van het politieke handelen, die de waarachtigheid van de boodschap bepaalt.

Nona De Dier is oud-voorzitter van de Gentse afdeling van de Jongsocialisten. Ze is jurist van opleiding en studeert momenteel
taal- en letterkunde aan de UGent.
Ik las onlangs het magnum opus van Peter Weiss, een Duits-Zweedse literator, genaamd Ästhetik des Widerstands (De esthetiek van het verzet). Deze cultklassieker is een bijna 1200 pagina’s lange reflectie over de tijd van het nationaalsocialisme in Europa, waarin de verteller – een anonieme arbeidersjongen – op zoek gaat naar een artistieke vorm van verzet tegen het regime. Een vraag keert steeds terug: hoe formuleer je de wens voor een emancipatorische omwenteling in een tijd waarin alle beeldtaal bol staat van uitdrukkingen van onderwerping en onderdrukking? Hoewel de roman – uiteraard – geen eenduidig antwoord suggereert, kunnen we aan het einde van het boek besluiten dat esthetiek politiek is en vice versa. Laat net deze eenvoudige dialectiek een memo zijn voor Groen en Vooruit.
Deze twee partijen hebben nooit een noodzakelijke analyse gemaakt van het vormelijke aspect van het politieke. Dit klinkt contradictorisch, vermits zij grote sommen geld uitgeven aan branding strategies, marketing consultancy en public speaking coaches om zich net vormelijk – esthetisch, vertoogmatig en communicatief – te verkopen aan de kiezer.
Groen wil zich uitdrukkelijk positioneren als een “depolariserende partij”. Deze communicatieve strategie durft wel eens de mist ingaan. Toen de N-VA in 2024 definitief buitenspel werd gezet tijdens de Gentse bestuursonderhandelingen, zorgde een dubbelinterview tussen Anneleen Van Bossuyt (N-VA) en Hafsa El-Bazioui (Groen) voor een verhit steekspel. Van Bossuyt kon haar vocale ongenoegen niet voor de camera’s verbergen. El-Bazioui reageerde met een afgemeten antwoord: “Ik hoor wat je zegt, Anneleen”. Deze respons werkte als een rode lap op een stier bij haar Vlaamsgezinde collega, die geagiteerd van zich afbeet met de woorden “Ik hoor ook wat ik zeg, Hafsa!”. Deze wijze van interageren was duidelijk ingestudeerd bij een “communication coach”. Het is een goedboerende niche die niet onmiddellijk uitblinkt in wetenschappelijke argumentatie, maar eerder een grote zelfreferentie vormt, gebaseerd op een eindeloos aantal gelijksoortige zelfhulpboeken. In een van die boekjes zal ongetwijfeld een contextloos citaat van Martin Luther King te vinden zijn, wat ons dan brengt tot dit contraproductief voorbeeld van “geweldloos communiceren”. De complexiteit van menselijke interactie valt niet samen te vatten in enkele bullet points. Het publiek vatte El-Bazioui’s poging tot ontwapende repliek eerder op als een cringy hooghartigheid “Ik ben beter dan jij, Anneleen”.
Vooruit heeft duidelijk nagedacht over de vorm en heeft in de voorbije jaren grote sommen geld uitgegeven aan allerhande strategen, coaches en brand managers. Haar marketingteam poogt ons al lange tijd te overtuigen dat er geen verschil bestaat tussen hun mandatarissen en de werkende klassen. De voorzitter wil zich daarom uitdrukkelijk distantiëren van elk intellectualistisch vertoog. Hij herhaalt vaak dat hij geen liefhebber is van het betere boek, waarbij hij veronderstelt dat dit voldoende identificatie tussen hem en een lagergeschoold publiek kan bewerkstelligen. Een andere gekende Vooruit-politicus laat in veel interviews weten dat hij liever profvoetballer dan politicus was geworden. Een gewone jongen die gewone dromen bezit. Toch zit er storing op die boodschap. De arbeidersklasse, ondanks haar een bij wijlen conservatief cultureel karakter, bezit de gave om intuïtief aan te voelen dat de leefwereld van deze politici niet bepaald overlapt met hun dagelijkse besognes. Een geprivilegieerde achtergrond, die symbolisch afdaalt op de sociale ladder, kan zich nooit ontdoen van tal van culturele en sociale codes. We spreken over het gebruikte vocabularium, de emotionele reflexen, de gedragspatronen, de modekeuzes, de bezochte evenementen, de financiële bezorgdheden, etc. Dit wil niet zeggen dat deze politici daarom niet kunnen bijdragen aan de verbetering van onze samenleving. Maar het publiek zal deze performativiteit aanvoelen als gekunsteld.
We mogen ook niet de kinderen, de “kids”, vergeten, waarmee politieke marketing poogt in te spelen op ons innerlijk emotioneel leven. Vooruit lanceert op haar sociale media de vage boodschap dat we kinderen vooral een onbekommerde jeugd moeten bezorgen. Dit valt moeilijk te rijmen met het regeringsbeleid dat danig de knip zet op de lonen en sociale rechten van hun ouders. Het communicatieteam herhaalt frequent een vooroorlogse eugenetische obsessie met drugsverslaafde moeders, waarbij de staat totale controle moet verkrijgen over hun reproductieve keuzes. Dit past binnen het kader dat de partij een ongefundeerde moralistische houding aanneemt tegenover de onderste sociale lagen van onze samenleving. De partijvoorzitter beweert namelijk dat mensen in precaire omstandigheden hun laatste cent uitgeven aan alcohol en drugs. Tal van internationale studies, recent nog opgesomd door Wim Van Lancker (KUL), geven aan dat die onderklasse net meer rationeel omgaat met haar financiële middelen. Het is de structurele en langdurige ongelijkheid die hen in een ongewenste situatie duwt, met intergenerationele achtergesteldheid als resultaat.
Bart Dhondt, ex-voorzitter van Groen, verwees tijdens zijn openingsspeech ook naar de symbolische onschuld van het kind. De partij moet primair instaan voor “een beter leven, ook voor je kinderen en kleinkinderen.” Op zich kan niemand protesteren tegen het beeld van de partij als beschermengel over wie nog zwak en onschuldig is. Maar de moraliserende beeldtaal gebruikt in zijn volledige redevoering was net niet herderlijk te noemen in de strikt katholieke zin van het woord. Groen associeert zich op die manier wel heel sterk met het vertoog over de veronderstelde verdiensten van een patriarchaal kerngezin.
Deze twee partijen zitten met zichzelf in de knoei over hoe ze een beeldverhaal over verzet tegen de reactionaire tijdgeest kunnen oproepen. De veelvuldige referenties naar het kind vormen hierbij een Freudiaanse verklikker. De politicus heeft meer dan de mond vol over het kind als een onaantastbare hoop van ons toekomstig bestaan. Zijn lippen bewegen vol passie, maar ondertussen plaudert er mit den Fingerspitzen (spreekt hij met zijn vingertoppen). We krijgen nooit te horen hoe we die fantastische toekomst zullen vormgeven binnen de huidige context van aangestuurde inkomensongelijkheid. De eigentijdse machtsstrijd tussen de haves en have-nots wordt niet aangeraakt. Universele emancipatie komt echter neer op de vraag hoe de werkende klassen hun eigen bevrijding in het heden mogelijk kunnen maken. Het louter performatief verkondigen van een moraliserend verhaal over een abstracte toekomst doet het huidige onrecht niet verdwijnen. In zijn Über den Begriff der Geschichte schrijft de filosoof Walter Benjamin het volgende:
De strijdende, onderdrukte klasse is het subject dat zijn eigen historische kennis opbouwt. Bij Marx treedt dit subject op als de laatste geknechte, als de wraakzuchtige klasse, die het werk van de bevrijding voltooit in naam van generaties van verslagenen … Dit bewustzijn … was voor de sociaaldemocratie altijd een doorn in het oog … De partij had veel liever dat ze aan die arbeidersklasse een rol van verlosser voor de toekomstige generaties kon toeschrijven. Ze sneed op die manier de pezen van de grootste kracht van de arbeidersklasse door. Wanneer deze klasse ingebed is in het sociaaldemocratische onderricht, verliest zij haar haat en de bereidheid om opofferingen te maken. Die twee motieven voeden zich eerder met het beeld van geknechte voorouders dan dat van bevrijde kleinkinderen (vertaling uit het Duits, red.).
Wie enkel naar zijn eigen geprivilegieerde familie kijkt, vergeet het historische onrecht dat aan de lagere klassen werd en wordt aangedaan. De werkende klasse is binnen dit kleinburgerlijke discours niet langer de “zich wrekende klasse”. Het is een klasse die moet leven met onrecht binnen een “bepaalde mate” – een mate die zij niet bepalen. Een linkse partij heeft dus maar een werkelijke taak: zich principieel verzetten tegen aangestuurde vormen van ongelijkheid in het hier en nu.
Tijdens de debatten over de begrotingsopmaak stelde Robin Tonniau (PVDA), iemand die jarenlang als arbeider heeft gewerkt in de auto-industrie, dat veel parlementairen nog nooit een slopende job hebben moeten uitoefenen. De repliek was dan ook veelzeggend: een “jammerlijke opmerking” die niet “over de inhoud” ging. Politici uit de Arizona-coalitie hebben dan ook geen voorouders om te wreken. Zij hoeven geen opgestapelde woede op de bühne te uiten. Deze kaste hoeft niet zoals de werkende klassen iets terug te nemen dat hen ontnomen is – het is hun nooit iets ontnomen. Daarom resteert alleen de optie om het performatieve toneel mee te spelen en de vorm van de status quo over te nemen: formele beleefdheid boven emancipatorische verandering. Peter Weiss in zijn roman terecht vast dat “die Befreiung kann uns nicht gegeben werden, wir müssen sie selbst erobern”.