
“Ik ben ervan overtuigd dat het oude groeimodel gebaseerd op fossiele brandstoffen en vervuiling gedateerd is en geen rekening houdt met onze planeet.” Een ferme uitspraak uit de mond van Ursula von der Leyen. Het is december 2019 en ze had zojuist de European Green Deal aangekondigd, een ambitieus plan om Europa klimaatneutraal te maken tegen 2050. Europa moet zo de wereldwijde locomotief van vergroening worden. In 2026 kunnen we enkel met bittere nostalgie naar zo’n uitspraak kijken. Vrees voor de industriële competitiviteit en extreemrechtse symboolpolitiek heeft de vergroening van het prioriteitenlijstje laten verdwijnen. Hoe kunnen we de kortstondige omarming van een inclusieve klimaattransitie door de centrumpartijen kaderen? En waarom kwamen ze even snel terug op hun beloften?

Brecht Rogissart is doctoraatsonderzoeker aan de European University Institute. Als historicus en politiek econoom spitst zijn onderzoek toe op financiële geschiedenis en crisistheorie.
Tussen 2019 en 2022 leek de wereld een progressieve bocht te maken. De Europese Unie kondigde de European Green Deal aan en injecteerde 750 miljard euro in een herstelpakket genaamd NextGenerationEU. Daarbovenop kwam in oktober 2022 een koerswijziging om Europa eindelijk socialer te maken, met de centrale doelstelling om collectieve arbeidsovereenkomsten over het continent te veralgemenen. Dichter bij huis waren anno 2019 de Belgische progressieve partijen electoraal succesvol, vooral door een opmerkelijke boom van Ecolo en PVDA/PTB. Vivaldi kon starten. Na jaren besparingsbeleid van rechts, aangevoerd door N-VA en de liberalen, kwamen de groenen en sociaaldemocraten terug aan zet.
Deze politieke evolutie stopte niet aan de grenzen van Europa. In de VS won Biden de verkiezingen, waarna hij met de Inflation Reduction Act sociale politiek en vergroening koppelde aan een megalomaan plan om Amerika te herindustrialiseren. Op de G7 van juni 2021, niet meteen een samenkomst van progressieve krachten, opperde men het idee om een minimumbelasting van 15% te heffen op multinationals.
Een belangrijke impuls kwam vanuit verschillende Europese sociaaldemocratische partijen. Zij waren decennialang de weg kwijt door een passieve acceptatie van de kapitalistische globalisering. De neoliberale visie op een actieve welvaartstaat verving het oude idee van de sociale zorgstaat waardoor coalities met rechts voornamelijk de belangen van de financiële markten en industriële monopolies dienden. De bankencrisis van 2008 zette deze sociaaldemocratie niet aan tot reflectie. Maar vanaf 2019 leek er een voorzichtige correctie op haar “Derde Weg” tevoorschijn te komen.
Als reactie op die Derde Weg groeide in de buik van de linkse beweging de overtuiging dat klimaatproblemen gekoppeld moesten worden aan een sterkere staat binnen een neo-keynesiaans beleidskader. De staat moest de toekomst terug in handen nemen. Dat was ook de kernboodschap van de stakende scholieren in 2019, wier ongenoegen het thema bovenaan de politieke agenda kon plaatsen.
De Green New Deal werd het ideologische cement tussen ecologisten en sociaaldemocraten op Europees niveau. Met een nieuwe wending richting links dachten de klassieke sociaaldemocratische partijen hun neergang sinds de jaren 1980 eindelijk een halt toe te roepen. Nieuwe linkse partijen, die de Derde Weg bekritiseerden vanuit een alomvattend alternatief denkkader, moesten de pas worden afgesneden. Het voorspelbare script om Mélenchon, Hedebouw of Iglesias af te schilderen als populisten bleek het publiek nog weinig te overtuigen. De sociaaldemocratie moest plots vechten om electoraal relevant te blijven. Het idee van een sociale klimaattransitie kon misschien een deel van de linkse kiezer terug naar de oude stal halen. Ondertussen kon de planeet misschien nog gered worden. Als die transitie ook voor extra groei kon zorgen, dan moest de welvaartsstaat niet verder worden ontmanteld. Drie vliegen in één klap!
Het transitieverhaal kon ook centrumrechts charmeren, want ook zij zochten naar nieuwe ideologische relevantie. Sinds 2008 had de EU, aangedreven door de CDU, zich toegelegd op hardleers crisismanagement door middel van orthodox begrotingsbeleid. De linkse kritiek op die economisch doodlopende straat maakte dat machtsblok weinig zenuwachtig. De hete adem werd gevoeld aan de rechterzijde. Sinds de jaren 1990 wist nieuwrechts steeds opnieuw de verkiezingen te winnen. In sommige landen had ze succesvol de klassieke centrumpartijen gekannibaliseerd. Italië gaf het startsein met Berlusconi die de christendemocratie, liberalen en neofascistische rechterzijde wist te verorberen. In 2010 volgde de N-VA die strategie met soortgelijk programma ten nadele van de VLD, CD&V en Vlaams Belang. Tijd voor een alternatief: een positief verhaal van het moedige midden moest het offensief startsein vormen.
In 2019 leek dat in België ook te lukken. Bart De Wever beging een strategische flater uit angst voor de concurrentie van het Vlaams Belang. Hij liet opzichtig de regering vallen over een symbooldossier genaamd het Marrakech Pact. Daarop wilden de heren en vrouwen van het centrum zich niet langer inlaten met demagogische kunstgrepen. Zeker de liberalen van Gwendolyn Rutten en Louis Michel hadden zich frenetiek uitgelaten, want de N-VA wilde niet afstappen van haar steekvlampolitiek om de zakelijkheid over de harde besparingscijfers in de verf te zetten. Bart De Wever verloor met deze misstap een half miljoen kiezers aan Vlaams Belang. Die twee partijen functioneren grotendeels als communicerende vaten. Om ze beiden uit de rangen van de macht te houden, was centrumrechts per definitie verplicht om centrumlinks te omarmen.
De periode 2019-2022 leek dus een uniek politiek momentum te creëren. Angst voor oprukkend nieuwrechts, ideologische vernieuwing binnen de Derde Weg en de ecologische protesten gaven het idee van een sociale klimaattransitie een historische kans op slagen.
Maar toen haalde de geschiedenis dat transitieproject in. Vanaf 2022 zou de wereldpolitiek de nationale agenda’s domineren, de globalisering kwam in onzachte botsing met geopolitieke aardverschuivingen. Het verpletterende succes van het Chinese industriële model doet reeds enkele decennia economische spanningen opborrelen. China heeft op korte tijd een koppositie weten te veroveren binnen de internationale hiërarchie van economische diplomatie. Op militair geopolitiek vlak werd het Westen uit zijn internationale status quo geschud door Rusland.
In de VS verdween de hoop op progressieve verandering door de terugkeer van Trump. De afbrokkelende wereldmacht verkeert in een angstkramp voor al die wijzigende onzekerheden. Het koos voor een project van autoritair jingoïsme. De Democraten konden geen eenduidig alternatief voorstellen. De VS plooit op zichzelf terug en hoopt nu haar wereldmacht gebaseerd op olie en dollars nog zo lang mogelijk uit te melken.
In Europa verdrong dat nieuwe wereldtoneel de European Green Deal op twee manieren. Ten eerste werd de militaire mobilisatie belangrijker, terwijl de budgettaire en fiscale basis reeds wankel was. Het Euroclear-debacle benadrukt nogmaals dat de Europese staten niet gemakkelijk de portefeuille openen, zeker in een beleidscontext waar begrotingsevenwichten sinds de jaren 1980 een heilige koe zijn. De onverwachte financiële stromen naar Oekraïne en de militaire opbouw hebben de groene transformatie gewurgd. Ten tweede smeekte de Europese industrie om meer overheidssteun om haar krimpende winsten veilig te stellen op de wereldmarkt. Deze industrie is nog stevig ingebed in het fossiele tijdperk. Het doorvoeren van structurele aanpassingen is op korte termijn kostelijk en riskant. Dus kiezen de industriële monopolies voor uitstel van technologische innovatie, wat in schril contrast staat met de razendsnelle Chinese groene transitie.
De Europese centrumpartijen hebben hun kar gekeerd. Op het Europese niveau, de nationale trends volgend, wordt de scheidingsmuur tussen centrum en nieuwrechts steen voor steen afgebroken om de groene bocht te corrigeren, de sociale voorzieningen te ondermijnen en fiscale ruimte te maken voor de industriële monopolies. We zien dus een coalitie van big industry, nieuwrechts en het centrum. Ze zijn innig verbonden in hun gezamenlijke vrees ten onder te gaan in een nieuwe internationale orde. Het is aan links om een tegenverhaal op te bouwen.