
Freuds theorie van het onbewuste legt uit hoe moderne samenlevingen een verontrustend vermogen vertonen om wreedheid te normaliseren en zelfs te genieten van de pijn van de ander. Freud toont aan hoe de dynamiek tussen het id en het superego de onderlinge relatie tussen moraliteit, verlangen en agressie op een duistere manier laat verstrengelen. Het superego verschijnt hier niet als een verheven morele gids, maar als een wrede en paradoxale instantie die steeds strengere eisen oplegt naarmate het subject tracht eraan te voldoen. Lacan radicaliseert Freud door het superego te herdenken als de motor van jouissance: een pervers bevel tot genieten dat genot en lijden samenklontert. Dit imperatief – “Geniet!” – stuurt het subject in een eindeloze kringloop van schuld en verlangen, vergelijkbaar met de logica van het hedendaagse neoliberale kapitalisme. In die maatschappelijke logica wordt genieten niet alleen mogelijk gemaakt, maar verplicht: consumptie fungeert zowel als norm, plicht en bron van voortdurende ontevredenheid. De hedendaagse subjectiviteit wordt zo gevormd via een dubbele beweging: een structurele frustratie die ons voortdurend doet verlangen, en het bevel van het superego dat dit verlangen onmiddellijk terugkaatst als falen, tekort en schuld. Binnen deze dynamiek krijgt ook het eeuwenoude gebod “Heb uw naaste lief” een duistere ondertoon. Want wie is die naaste? Freud en Lacan laten zien dat de naaste precies degene is die ons confronteert met het vreemde, het onbegrijpelijke, het teveel aan genot dat onze symbolische orde verstoort. In plaats van harmonie brengt de ontmoeting met de ander een mengeling van agressie, schuld en morele overbelasting teweeg. In onze huidige neoliberale cultuur houden wreedheid en genot elkaar in stand, onder de strakke disciplinerende blik van een superego dat steeds dwingender spreekt. Met als resultaat dat we onszelf uitbuiten en wreedaardig schoppen naar degenen die te “vreemd” zijn.

Meera Lee is assistent-professor verbonden aan het Asian American Studies programma van Hunter College, onderdeel van de City University of New York (CUNY). Ze is ook psychoanalyticus met een privépraktijk in Manhattan (New York). Haar onderzoek en publicaties liggen op het snijvlak van psychoanalyse, kritische theorie en continentale filosofie. Ze is redacteur van het boek Lacan’s Cruelty: Perversion Beyond Philosophy, Culture and the Clinic (Palgrave, 2022).
Sigmund Freud heeft geleefd tijdens enkele van de meest turbulente periodes van de moderne geschiedenis. Hij maakte de Eerste Wereldoorlog mee, maar was ook ooggetuige van de opgang van het fascisme en nazisme. Als vader van de psychoanalyse pende hij zijn revolutionaire theorie over het onderbewuste neer, wat hij zelf omschreef als een verborgen domein van onze psyche bestaande uit onderdrukte gedachten en verlangens, dat alleen indirect kan worden ontsloten via onze dromen, versprekingen en humoruitingen. Deze theorie betekende een radicale breuk met het dominante psychologische en psychiatrische paradigma van zijn tijd, dat voornamelijk het belang van bewuste en rationele gedachten en gedragingen benadrukte. Een van zijn invloedrijkste bijdragen was de onderverdeling van het menselijk bewustzijn in drie onderling verbonden structuren: het id, ego en superego. In het id huizen de instinctieve driften – honger en seksualiteit. Het ego medieert tussen deze impulsen en de eisen van de realiteit. Het superego belichaamt geïnternaliseerde morele en sociale codes zoals religie, wetten en reguleringen van sociale instellingen.
Het is mijn doelstelling om populaire visies van post-Freudiaanse theoretici te betwisten, omdat zij veelal Freuds complexiteit reduceren tot een theorie die zich vooral richt op het belang van het ego. Ik geloof dat de relatie tussen het id en het superego – helaas vaak onderbelicht – aantoont hoe Freud ons een dynamische kijk kan verschaffen om een analyse te maken van de connectie tussen menselijk verlangen, moraliteit en agressie. Freuds nadruk op deze relatie geeft ons de mogelijkheid een prangende inkijk te verkrijgen over de meest urgente dilemma’s van onze tijdsgeest, waaronder de kwesties van oorlog, mechanismen van politieke overheersing en hoe technologie ons bestaan vormgeeft binnen een kapitalistische context. Ik zal deze materie verder uitdiepen door te verwijzen naar een van de oudste en meest eisende morele geboden: bemin uw naaste zoals uzelf. Ik zal de paradox tussen dit gebod en de huidige vloedgolf aan destructieve driften vooreerst analyseren aan de hand van Freud. Om dan vervolgens de naoorlogse bijdragen van de Franse psychoanalyst Jacques Lacan aan te wenden, die op zijn beurt een re-interpretatie ontwikkelde over de relatie tussen verlangen en moraliteit.
Freud maakte in zijn essay Het ego en het id (1923) een gedurfde uitspraak: “Het superego is de erfgenaam van het Oedipus-complex” (Freud, S.E. 19, 36). Ogenschijnlijk komt deze bewering zeer vreemd en verwarrend over. Hoe kunnen twee tegengestelde psychische krachten – het rauwe verlangen (Oedipus-complex) en de strikte morele autoriteit (superego) – dermate nauw met elkaar verwant zijn? Freud stelt dat de verklaring te vinden valt in het Oedipus-complex, refererend naar zijn re-interpretatie van Sophocles’ tragedie Oedipus Rex, een psychisch model dat de dynamiek tussen verboden verlangens, vaderlijke autoriteit en zelfvorming uit de doeken doet. De kern van het Oedipus-complex representeert een universeel familiaal drama: het onuitgesproken verlangen van het kind naar de moederfiguur wordt geconfronteerd met het vaderlijke verbod, gekristalliseerd in een autoritatieve “Neen”. Het verbod genereert meer psychisch effect dan louter het verlangen verhinderen, namelijk dat het ook dit verlangen omvormt. Het kind internaliseert de bevelende stem van de vader en transformeert deze in het supergo. Het wordt een innerlijke rechter, een ordebewaker over de eigen psyche en een bron van morele wet. Vanuit deze analyse kan worden gesteld dat het id en het superego eerder een Siamese tweeling vormen dan wel elkaars tegengestelden zijn: de een kan niet bestaan zonder de ander. En voor Freud ligt deze paradox aan de basis van ons geciviliseerd leven.
Het tweesnijdend paradoxaal karakter van het superego
De macht van het superego binnen het subject zal volgens het psychoanalytisch perspectief het meest duidelijk gevonden worden in de melancholie: een psychische staat van eindeloze rouw over een geliefde of een ideaal. Het psychische mechanisme van identificatie houdt de stille lijden in stand, waarin de rouwende het verloren object dermate internaliseert en idealiseert dat de grenzen tussen het zelf en de ander verdwijnen. Freud weet dit prachtig te verwoorden: “De schaduw van het object is gevallen over het ego” (Freud, S.E. 14, 249). Freud stond evenwel steeds sceptisch tegenover de mogelijke statische eigenschappen van zijn eigen theorievorming, en zou daarom later zijn kijk op de melancholie veranderen en de ambivalentie van het rouwproces benadrukken. Melancholie, zo stelt Freud, bestaat niet louter uit verdriet, het is eerder een mengeling van liefde en haat, verlangen en verwerping, en bovenal, een schuldgevoel gericht naar het verloren object. Melancholie bestaat eerder uit een emotionele paradox waarin het superego zichzelf onthult als een hardvochtige erfgenaam van het id.
Vanuit dit later perspectief kan men opmerken dat het superego opduikt na het verlies van het object, en hierbij zal het superego retroactief een wet opleggen die het verbod op het originele verlangen aangeeft. Het superego is tegelijkertijd het resultaat van het desbetreffende verlies als de structuur die dit verlies onvermijdelijk maakt. In de staat van melancholie ontdekt het subject dat het verlangde object nooit kon worden verworven, omdat vanaf het begin haar afwezigheid reeds ingeschreven staat in de structuur. Dit proces van besef wakkert de fantasie van bestraffing aan, de bestraffing van het zelf. En deze bestraffing gebeurt niet op basis van gevoerde handelingen, maar komt voort uit een schuldgevoel dat het subject louter verlangt. Het superego zal dus haar bestraffende kracht inwaarts richten. Het zal het ego aan een onverbiddelijke kritiek en vellend oordeel onderwerpen, en dit reeds vooraleer het subject enige werkelijke handeling heeft uitgevoerd. Het louter bezitten van bepaalde wensen vormt reeds een grond van veroordeling, wat maakt dat het affect van liefde en schuldgevoel niet meer te onderscheiden zijn. Het superego censureert onmiddellijk elk gevoel van verlangen, vooraleer het zich kan uiten, en het subject zal tegen zichzelf keren doorheen het psychisch mechanisme van het verloren object. Het rouwproces creëert een strafgerichte psychische energiehuishouding, waarin de liefdesdrift verstrikt raakt in zelfverwijt. En net hier kan het wrede aspect van het superego worden gevonden: hoe meer het subject zich conformeert aan de eisen van het superego, hoe harder het oordeel zal worden. Het superego zal een “adequate” morele houding even hard bestraffen als haar falen. A priori zal binnen deze psychische structuur het vermogen van het subject om haar verlangen in te willigen worden verhinderd.
Lacan zal op zijn beurt Freuds analyse van de wreedheid van het superego verder verbreden en herdenken door het te plaatsen binnen het domein van de driften. Deze wreedheid wordt nu gerelateerd aan zijn concept van jouissance, een paradoxale vorm van genot dat voorbij de gebruikelijke vormen van plezier gaat. Jouissance wordt afgewogen tegenover Freuds lustprincipe dat stipuleert dat het onderbewuste neigt om onlust te vermijden en lust na te jagen. In Lacans principe van jouissance gaan genot als pijn samen als psychische activiteiten. Lacan betwist Freuds visie over de constitutie van het superego. Het superego fungeert niet louter de internalisatie van de vaderlijke autoriteit. Ook is het niet een afgeleide van het psychische proces van de totstandkoming van het geïdealiseerde ego. Lacan biedt daarentegen een andere kijk op de functie van het superego: een psychisch mechanisme dat eindeloos eisen stelt en bevelen geeft aan het subject. En het bevel houdt vooral in: jaag het genot na. “Uitsluitend het superego dwingt iemand om genot te vinden”, aldus Lacan, “en het fungeert als het imperatief van de jouissance – genieten zal men!” (Seminar 20, 3).
Deze imperatief onthult de verborgen en quasi obscene onderkant van het superego: het zet aan tot transgressie, terwijl tezelfdertijd het subject wordt verboden om in te spelen op bepaalde verlangens. Freud situeert het gewelddadige karakter van het superego in haar functie om het verlangen te verbieden. Lacan zal daarentegen de aandacht verleggen op het paradoxale karakter van de eisen die het superego aan het subject stelt: genot kan pas gevonden worden doorheen het verbod (Lee 2022, 117). Het verlangen wordt voortgestuwd door de eindeloze betrachting om het verloren object te bereiken, wat maakt dat het verlangen in de greep is van een zelfopgelegde herhalingsdwang zonder ooit een finale verlossing/oplossing te vinden. De ontembare stroom aan jouissance maakt dat het verlangen zichzelf in stand blijft houden. En hoe meer we falen in het bevredigen van de onmogelijke eis, geschraagd door deze stroom aan jouissance, hoe meer het superego zichzelf presenteert als een straffend psychisch apparaat. Kortom, het verlangen en de wet zijn innig met elkaar verbonden, en vermits het verlangen het subject verhindert om tot jouissance te komen, kan alleen maar via transgressie van de wet dit worden bekomen. Dergelijke logica is dus paradoxaal, gegeven het feit dat de wet pas wordt opgelegd nadat deze eerst werd overschreden (Lee 2025).
Wanneer we het paradoxale karakter van het superego begrijpen, dan komen we ook tot een nieuwe begripsvorming van de melancholie. De melancholie is wat het subject en zijn verloren object samenbrengt binnen een dwangmatige psychische huishouding bestaande uit lijden en pijn. De melancholie transformeert het rouwproces in een verplichting om “genot” te vinden in het verlies. Genot en pijniging gaan in elkaar over, ze zijn innig verstrengeld. Het verloren object versmelt zich met het subject, wat maakt dat een noodzakelijke symbolische afstand tussen subject en het verloren object onbestaande is. Noodzakelijk omdat de afwezigheid van deze afstand maakt dat het rouwproces niet kan plaatsvinden en dus ook niet kan eindigen in de symbolische aanvaarding van het verlies. Dit verhindert het subject de verwerking van het verlies symbolisch te registreren en onder woorden te brengen. Fundamenteel ontbreekt de mogelijkheid om te spreken, vermits taal een onderscheid tussen symbolische wereld en het subject vereist. Het subject kan niet het vermogen aanspreken om verlangen en verlies te symboliseren via talige representatie.
Het superego kent een sadistisch karakter, en omwille van die reden zal Lacan het superego in de positie van een “meester-betekenaar” plaatsen. De rol van de “meester-betekenaar” duidt tevens aan hoe het subject gespleten is. Het subject is inherent verdeeld, het vormt nooit een geheel met zichzelf. Deze gespletenheid wordt geconstitueerd door taal, verlangen en onbewuste processen. Wanneer we Lacans analyse van de melancholie in ogenschouw nemen, dan kunnen we stellen dat de wet van het superego – in se de symbolische orde – nooit vervolledigd kan zijn binnen zichzelf. Het superego mag dus niet verward worden met de functie van een traditionele bevelende meester die ondergeschiktheid eist. Het superego vaardigt een onmogelijk bevel uit om genot te vinden precies op het punt waar het verlangen van de Ander – de symbolische plaats van taal en betekenisvorming bestaande uit regels, normen en waarden – opereert. En daarom zal ook een schuldgevoel deze vorm van genot onlosmakelijk bepalen.
De Sloveense filosoof Slavoj Žižek zal de paradoxale relatie tussen schuldgevoel en genot verder op scherp stellen. Hij ontwikkelt het argument dat dit schuldgevoel niet illusoir is ten opzichte van de Ander. Het is een symptoom van verzaking en verraad, meer specifiek het verraad tegenover het eigen verlangen. Het superego haalt uit dit dialectisch proces van genot en schuld haar grootste macht. De daad om zich te verzaken aan het eigen verlangen versterkt het superego. Maar we worden onvermijdelijk gedreven door het verlangen, en daarom pogen we opnieuw en opnieuw het superego te sussen, wat net het schuldgevoel alleen maar groter maakt. Dit creëert een oneindig plichtsgevoel tegenover het superego, de aangevoelde schuldenlast stijgt naarmate we meer en meer pogen om te gaan met ons verlangen. Žižek stelt dan ook terecht dat het “superego functioneert zoals een afperser, hij wil ons langzaam leegzuigen – des te meer het ontvangt, des te meer het een greep krijgt over ons gevoelsleven” (Metastases of Enjoyment, 68). Deze opgebouwde schuld valt structureel bekeken niet terug te betalen. De macht van het superego groeit niet alleen naarmate we steeds falen om het verlangen te temmen, maar haar macht is recht evenredig aan hoe sterk we onszelf overgeven aan haar tirannie. Het is binnen de melancholie dat deze logica haar extreme hoogtepunt bereikt. Binnen deze versterkte logica wordt de subjectiviteit volledig verzwolgen door de bevelende stem van het superego. Het superego zal haar totale macht uitoefenen om het subject volledig op de positie van het verloren object te plaatsen. Het subject fungeert hierbij als een doorgeefluik waardoorheen de jouissance van de Ander wordt geëxtraheerd. Dit maakt dat de wet daarom niet meer van buitenaf haar invloed uitoefent, de wet spreekt reeds van binnenuit. Het ego speelt op zijn beurt de rol van een passieve geleider van het opgelegde genot – een vorm van genot dat via het lijden wordt gegenereerd. Het subject wordt gereduceerd tot precies die plaats waar het superego zijn bevrediging veiligstelt. Dit gegenereerde lijden maakt dat net liefde wordt blootgesteld aan het tribunaal van het oordeel.
Superego en kapitalisme
In het huidig neoliberaal kapitalisme wordt deze paradoxale logica op een zeer specifieke en perverse manier aangewend om het subject in eenzelfde positie te plaatsen. Žižek beschrijft hoe deze dynamiek onmiddellijk gerelateerd is aan de weerbarstigheid van het neoliberaal kapitalisme. Deze vorm van kapitalisme weerspiegelt het paradoxale bevel van het superego dat we steeds meer moeten consumeren, dat we steeds meer het genot moeten najagen, dat we steeds meer moeten verlangen. Hij noemt deze verlangenshuishouding “surplus jouissance”, surplus als zijnde “meerwaarde”, een term die hij rechtstreeks haalt uit Marx’ economische theorie. In onze huidige wereld voelen velen zich schuldig of zelfs beschaamd wanneer we falen in de plicht om genot te genereren. De aangereikte redenen, circulerend in onze samenleving, klinken bekend in de oren. We zijn niet slim genoeg om te weten hoe we onszelf kunnen transformeren tot een genietend subject. Of we zijn niet genoeg geïnformeerd om de middelen aan te wenden die leiden tot genot. Of we zijn niet gesofisticeerd genoeg om afdoende in te spelen op de verleidingen van het consumentisme. We voelen schuld, schaamte of angst wanneer we denken niet de laatste technologie te bezitten – of dat nu gaat om een auto, smartphone of televisie.
Bekeken vanuit dit standpunt merken we op dat het superego behoort tot de logica van de drift. Lacans visie over deze logica, wat Freud reeds impliciet geanticipeerde, is gebaseerd op de vaststelling dat onze driften bestaan uit een voortdurende, onvervulde cirkelbeweging rond een ongrijpbaar object. Deze driften hebben nooit een vast object, ze zijn altijd gericht op iets nieuws. Het verlangen van het subject komt dan ook voort uit een gevoel van tekort. De auto, smartphone en televisie vullen kortstondig dit tekort op, tot wanneer we opnieuw voortgedreven worden door hetzelfde driftmatige verlangen. Daarom is het kapitalisme als systeem een hardnekkig beestje. Het vernietigt in ons sociaal leven voortdurend niet-monetaire dynamieken van betekenisvorming, en vervolgens zal de markt een oneindig aantal quick fixes aanbieden binnen de geaccumuleerde leegte – onze paradoxale en onopgeloste manier om met het verlangen om te gaan ligt in lijn met het paradoxaal destructief/onderdrukkend/permissief karakter van het kapitalisme. Deze logica is dus verschillend van hoe we omgaan met onze biologische behoeften, vermits die wel volledig kunnen worden bevredigd. Deze logica bindt het subject aan een wijze van genotervaring die verzaking aan dat genot verwerpt. Of zoals Lacan zijn publiek meegeeft: “De enige zaak waar het subject zich schuldig aan maakt, is het wegduwen van zijn verlangen” (Seminar 7, 319). Lacan stelt hiermee de radicale vraag hoe we ethisch met het verlangen omgaan. Hij is van mening dat onze werkelijke verantwoordelijkheid niet ligt bij gehoorzaamheid aan de externe wet, maar eerder dat we ons verlangen moeten trouw blijven – een trouw die alleen maar kan bestaan door te weigeren het verlangen te verraden.
Beschaving, agressie en heb uw naaste lief. Een lezing doorheen Freud
We kunnen een van de wortels van de wreedheid van het superego vinden in Freuds beschouwingen over beschaving en onze angstervaringen die uit onze beschavingsdynamiek voortkomen. In zijn boek Het onbehagen in de cultuur (1930) onderzoekt Freud het universele morele gebod “Gij zult uw naaste liefhebben zoals uzelf” om de oorsprong van deze wreedheid verder bloot te leggen. Hoewel dit gebod vaak met het christendom wordt geassocieerd, benadrukt Freud dat het eraan voorafgaat en, belangrijker nog, fundamenteel in conflict staat met de menselijke driften. Deze naastenliefde sluit persoonlijk nut en seksualiteit uit en legt een universele verplichting op aan het subject/samenleving die het fragiele evenwicht tussen liefde (Eros) en de doodsdrift (Thanatos) verstoort. Met een vleugje cynisme merkt Freud op dat de “naaste” hier geen sympathiek figuur belichaamt, maar een radicale vreemdeling inhoudt – iemand met wie geen eerdere band bestaat. Toch blijkt de aard van de eis absoluut van aard te zijn: van ons wordt verlangd dat we erotische bindingen, narcistische identificaties en zelfs zelfbehoud opzijzetten wanneer we worden geconfronteerd met de aanspraken, emotioneel of seksueel, van iemand die fundamenteel anders zal blijven. In Freuds lezing ontwricht dit gebod de libidineuze huishouding door, in naam van culturele idealen, een morele verplichting op te leggen die zo extreem is – het opofferen van eigen plezier, veiligheid en zelfs verlangen – dat zij dreigt om te slaan in wreedheid.
Hierop voortbouwend stelt Freud dat liefde nooit grenzeloos is; zij brengt eerder psychische kosten met zich mee en legt morele lasten op. Liefhebben betekent gelijkenis in elkaar herkennen of een ideaal nastreven. Of zoals Freud het verwoordt, “Ik kan in hem het ideaal van mijn eigen ik liefhebben” (Freud, S.E. 21, 109). Maar de vreemde – die zich in gelijkenis noch idealiteit presenteert – verzet zich tegen deze integratie. De morele wet eist liefde precies daar waar het instinct haar weigert, waardoor het subject in een diepe spanning wordt gedwongen tussen verlangen en verplichting, een spanning die centraal staat in het bevel van het superego. Binnen dyadische liefde – de private verbondenheid tussen twee personen – lijkt harmonie mogelijk te zijn. Dit vereist geen derde element, geen rivaal, geen externe verstoring, en onderhoudt op die manier de fantasie van ethisch evenwicht, wederzijdse bevestiging en onderlinge erkenning. Maar Freud beargumenteert dat deze fantasie instort onder de bredere eisen van de beschaving. Het sociale leven verspreidt het verlangen naar buiten. Het verlangen situeert zich nu in dichte netwerken van gedeelde belangen, symbolische verbondenheden, rivaliteit en agressie. Hoewel de beschaving afhankelijk is van deze collectieve banden, zijn ze intrinsiek instabiel en produceren zij ambivalentie, wrok en geweld. Gemeenschappelijke liefde – buiten de private dyade – kan nooit conflictvrij zijn. Het is binnen dit vluchtige terrein van sociale relaties dat het gebod “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf” werkzaam is. Op dit terrein harmoniseert de morele wet de samenleving niet; zij botst juist met de ontwrichtende kracht van het superego. Freud vat deze paradox kernachtig samen in zijn scherpe vraag: “Waarom zou de vreemde liefde verdienen?”.
Freud situeert het antwoord op deze vraag in het agressieve substraat van beschaafde liefde. De beschaving, zo stelt hij, kweekt vijandigheid die geworteld is in competitie, onderdrukking van instincten en de sociale fricties die ontstaan door in elkaars nabijheid te leven. Paradoxaal genoeg is het juist omdat deze agressie onvermijdelijk is, dat het gebod tot liefhebben noodzakelijk wordt. Voor Freud ligt het zwaartepunt van deze paradox niet in de liefde zelf, maar in de kracht van het bevel: we worden opgedragen lief te hebben. Deze aansporing komt voort uit de noodzaak het geweld te beheersen. Geweld voortkomend uit rivaliteit, onderdrukking en nabijheid. Met andere woorden, het morele gehalte van de gebiedende wijs om lief te hebben is geen afgeleide van spontane warmte of erotische affiniteit. Ons wordt geboden onze naasten lief te hebben zoals we verondersteld worden onze geliefden lief te hebben: door ons eigen beeld op hen te projecteren en het ego via identificatie uit te breiden. Op deze manier transformeert “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf” narcistische identificatie tot een sociaal ideaal.
Freuds boekwerk wordt gekarakteriseerd door een toenemend ongemak met de christelijke liefdesethiek. Om vervolgens te eindigen met een conclusie die zowel verontrustend als stilletjes radicaal is: het gebod om “uw naaste lief te hebben” wordt niet te onderscheiden van het gebod om “uw vijand lief te hebben”. De naaste, de vreemde, moet bemind worden juist omdat hij buiten verwantschap, vriendschap en vertrouwde gelijkenisbonden valt. In deze ethische constellatie draagt de vreemde altijd een spoor van vijandschap met zich mee. Freuds betoog berust op een duisterder visie op de menselijke natuur – een die agressie ziet als een constitutief kenmerk van het sociale leven, zelfs wanneer zij wordt ontkend door de idealen die beweren haar te overstijgen.
Transgressie, ethiek en heb uw naaste lief. Een lezing doorheen Lacan
De donkere aard van de structuur van het superego wordt scherper en meer zichtbaar wanneer zij wordt bekeken doorheen Lacans beschouwing van de ethiek. Lacan houdt ons conceptueel (en meer realistisch) voor dat ethiek het onbewuste omvat, daar waar het verlangen de rede verstoort – een scherp contrast met het Aristotelische ideaal van het “absolute goede”. Binnen de psychoanalytische notie van subjectiviteit is het “goede” verbonden met jouissance: een genot voorbij nut, maat of rationele beheersing. Ethiek betreft dan de vraag hoe een verhouding te onderhouden tot datgene wat niet volledig kan worden gesymboliseerd: het Ding (das Ding), een plaats van radicaal genot en onherleidbaar teveel, dat een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent op het subject. Een werkelijk ethische houding duwt het Ding, aldus Lacan, tot aan de rand van de begrijpelijkheid en verplaatst het uit het centrum van het conventionele morele leven. Vanuit dit perspectief cirkelt het Lacaniaanse superego rond het Ding en geeft het een obscene aansporing tot genieten – een eis tot genot die alle grenzen overschrijdt en het subject tegelijk straft voor het beantwoorden van zijn oproep. Dit is de paradox van het morele geweten: een imperatief voorbij de bevrediging, die het subject bindt aan een streven naar genot dat het zowel verlangt als vreest, wat een spanning voortbrengt die geen verzoening met zich kan meebrengen.
Vanuit het perspectief van das Ding herdenkt Lacan het gebod “heb uw naaste lief” als een confrontatie met jouissance, waarmee hij zich distantieert van Freuds visie. Lacan stelt dat de naaste, als vreemde, niet kan worden getolereerd omdat zijn genot de symbolische grenzen overschrijdt die subjecten van elkaar scheiden (Seminarie 7, 187). Zoals Alenka Zupančič opmerkt, is het genot van de naaste wat ons verontrust – een genot radicaal verschillend van het onze (bijvoorbeeld de angst voor onbekende gewoonten, rituelen of feesten). En dit “vreemd” genot valt niet te assimileren door wet, fantasie of erkenning. Dit is de horror van “het reële”: een verschil dat zich verzet tegen symbolische domesticatie; haar bestaan blijft volharden onder het oppervlak van sociale harmonie. De naaste liefhebben bestaat daarom uit een confrontatie met wat buiten wederkerigheid en erkenning ligt. In Lacaniaanse termen staat dergelijke liefde gelijk aan het benaderen van het reële. Paradoxaal genoeg intensiveert dit gebod de driftmatige logica. Schuld vermengt zich met genot en de morele wet versmelt met haar obscene onderkant. Het wordt een zelfversterkend autocircuit doordat de bevelen en de eisen van het superego zich steeds maar vermenigvuldigen. De perverse karakteristiek van dit circuit voert de druk op om steeds meer liefde te geven, meer opofferingen te maken en het schuldgevoel te vergroten. Het subject creëert een psychische huishouding waarin het genoegen vindt om niet te kunnen voldoen aan die eisen. Het onvermijdelijke en continu falen staat gelijk aan gevoel van trouw aan de wet.
Drie veelvoorkomende sociale fenomenen in het kapitalistische systeem kunnen onmiddellijk worden aangehaald. Het dociel arbeidend subject dat zichzelf dwangmatig omvormt tot een gewillig werktuig van de kapitaalaccumulatie: alleen door extreme loyaliteit aan de extraherende en disciplinerende uitbuiting vindt dit subject haar perverse eigenwaarde. Het dociel consumerend subject dat haar perverse eigenwaarde vindt in het dwangmatig opkopen van waren die geen enkele behoefte dekken: een perverse loyaliteit aan het marktdenken. En het politiek autoritaire subject dat het eigen falen dwangmatig bestraft en projecteert op degenen die niet identiek zijn aan de eigen gebrekkigheid: een perverse loyaliteit aan de eigen sociale groep. De wet wordt dus gedreven door de geëiste loyaliteit en haar gewelddadige transgressie. De transgressie onthult zowel de dwingende volharding van de wet als de traumatische confrontatie met het reële.
Geciteerde werken
Freud, Sigmund. The Ego and the Id. 1923. The Standard Edition of the Complete Psychological Works of Sigmund Freud, vol. 19, translated by James Strachey, Hogarth Press, 1961.
—. Mourning and Melancholia. 1917. The Standard Edition of the Complete Psychological Works of Sigmund Freud, vol. 14, translated by James Strachey, Hogarth Press, 1957.
—. Civilization and Its Discontents. 1930. The Standard Edition of the Complete Psychological Works of Sigmund Freud, vol. 21, translated by James Strachey, Hogarth Press, 1961.
Lacan, Jacques. The Seminar of Jacques Lacan: Book VII, The Ethics of Psychoanalysis, 1959–1960. Edited by Jacques-Alain Miller, translated by Dennis Porter, W.W. Norton, 1992.
—. The Seminar of Jacques Lacan: Book XX, Encore, 1972–1973. Edited by Jacques-Alain Miller, translated by Bruce Fink, W.W. Norton, 1998.
Lee, M. “Perversion after Freud: From the cruel Father to the Joycean clinic,” in: Lacan’s Cruelty. Perversion beyond Philosophy, Culture and Clinic. Edited by Meera Lee, Palgrave, 2022.
—. “Psychoanalysis for Intersectional Humanity: Sade Reloaded.” Psychoanalysis, Culture & Society, May 2025, 1-6.
Žižek, Slavoj. The Metastases of Enjoyment: Six Essays on Woman and Causality. Verso, 1994.
Zupančič, Alenka. Ethics of the Real: Kant, Lacan. Verso, 2000.