
voor Magrafica
Palestina vertoont een koppig karakter. Terwijl verschillende Belgische politici het Palestijnse vraagstuk liever hadden zien verdwijnen van het politieke toneel – ten voordele van een dramatisering van de overheidsschuld, de competitiviteit van de Belgische bedrijven of de “migratieproblematiek” – is een extraparlementaire beweging het op tafel blijven leggen. Eén kenmerk van deze beweging is dat ze wordt gedragen door ontelbare kleinere organisaties en initiatieven: protesten aan stadhuizen in gemeenten en kleinere steden, initiatieven op de werkvloer, rode lijnen op de etalages van handelszaken en vakbondsinitiatieven. Solidariteit met Palestina ondergaat voorlopig de uitputting niet die veel grassroots politieke initiatieven velt.

Lorenzo Buti is filosoof verbonden aan KULeuven, Centrum voor Politieke Filosofie en Ethiek (RIPPLE). Hij is gespecialiseerd in de naoorlogse Franse politieke filosofie.
Het humanitaire vertoog
Toch zijn we beland aan een belangrijk scharnierpunt. De afkondiging van een “staakt-het-vuren”, na enkele dagen al talloze keren geschonden door Israël, kan de demonstraties doen uitdoven. De genocide heeft reeds plaatsgevonden, maar als verder extreem bloedvergieten niet meer plaatsvindt (vervangen door de trage, haast technocratisch bestuurde dood van een volk), zullen de stemmen van het “nieuwe normaal” snel opnieuw de boventoon voeren. In deze situatie is het belangrijk om aandachtig te bekijken waartegen we precies demonstreren en welk toekomstperspectief we innemen. Net als ieder ander politiek initiatief heeft de pro-Palestijnse beweging uiteenlopende stemmen onder zich verzameld. Terwijl sommige nuttig zijn in één bepaalde periode, kunnen ze op een later moment ook verdere vooruitgang tegenhouden.
Eén van de meest impactvolle stemmen is ongetwijfeld het morele, humanitaire vertoog geweest. De stroom van weerzinwekkende beelden, die weinig aan de verbeelding overlaat, ontlokt een sterke morele verontwaardiging. Wanneer onderzoekers vervolgens verklaren dat er wel degelijk een genocide plaatsvindt, primeert het morele oordeel. Men “trekt de rode kaart voor Gaza” omdat iedere dag met verse beelden van oorlogsmisdaden er één teveel is. In het morele perspectief kiest men zo kant voor de slachtoffers, wier onschuld een troef is in het maatschappelijk debat. Verschillende pro-Palestijnse initiatieven zetten bijvoorbeeld expliciet de hoeveelheid vermoorde moeders en kinderen centraal.
Het is moeilijk in te beelden dat 100.000 demonstranten zouden afzakken naar Brussel zonder een appel aan medeleven en morele afschuw tegenover de genocide in Gaza. Toch is hier ook kritiek op gekomen, niet in het minst vanuit de Palestijnse hoek zelf. In een recent interview stelt Haifa Saleh, Palestijnse onderzoeker aan KU Leuven, dat een humanitair kader Palestijnen reduceert tot bedelaars voor voedsel en water dat de westerse wereld hen kan schenken. Niet enkel kenmerkt dit een psychologische houding waarbij westerlingen zichzelf kunnen percipiëren als welwillende zielen tegenover de verworpenen der aarde, het miskent vooral de politieke geschiedenis van de Palestijnse strijd voor collectieve zelfbeschikking, die reeds honderd jaar bestaat.
In zijn boek Perfecte slachtoffers levert de Palestijnse schrijver Mohammed El-Kurd een scherpe kritiek op de strategie van “vermenselijking” die Palestijnen vaak moeten ondergaan of die ze zelf internaliseren. “Vermenselijking probeert de impliciete of expliciete vooroordelen tegen “de Palestijnen” ongedaan te maken, door ons voor te stellen in ‘eerbiedwaardige’ en ‘herkenbare’ termen – vaak met nadruk op onze individualiteit of, indien het om een groep gaat, op de passiviteit van dat collectief.” Om het voortdurende vermoeden van sympathie voor Hamas of van antisemitisme tegen te gaan, stelt men Palestijnen voor in herkenbare morele, burgerlijke termen: als geweldloos, onschuldig, intelligent, welbespraakt, gecultiveerd (volgens westerse normen) en vooral: zonder haat tegen de Joodse religie.
Vermenselijking betekent hier een poging om zich te conformeren aan de meestal impliciete standaarden van het westerse publiek debat, waar de communicatieve rede de plaats heeft ingenomen van politieke strijd. Dit kan je reeds opmerken in hoe het debat werd gevoerd in onze insulaire parochie. Simplistische zwart-wit tegenstellingen vierden hoogtij, waarbij de dominante media zich lieten verleiden tot haast complottistische analyses over de rellen tijdens de vakbondsbetoging op 14 oktober. Die media zullen, aangejaagd door sensatiezucht en een gebrek aan achtergrondkennis, eenzelfde manicheïsche dualiteit toepassen op het Palestijnse volk ter plaatse. De Palestijnen moeten zich voegen naar de standaarden van wat het Westen herkent als een civiele houding, of ze vallen buiten de grenzen van respectabiliteit, waarbij zelfs het recht op leven vervalt. El-Kurd schrijft: “Er wordt ons gevraagd om vreedzaam en verdraagzaam te zijn, en dan worden we getolereerd … Een toekomst wordt ons niet toegestaan: we mogen niet ambitieus of sluw zijn; niet streven naar soevereiniteit of wraak. We zijn beroofd van het recht op complexiteit, op tegenstrijdige gevoelens … Misschien mogen we verbitterd zijn, maar strijdlust en vijandigheid – blijkbaar onbekende begrippen voor onze onderdrukkers – verbannen ons weer uit de mensheid.”
Het probleem met iedere strategie die appelleert aan een gedeelde ‘menselijkheid’ is dat dit beeld wordt aangevuld met kenmerken die uiteindelijk beslissen wie wel of niet onze empathie verdient. Wanneer Palestijnse subjecten niet overeenkomen met de geprojecteerde vooronderstellingen, blijft het humanitaire discours woordeloos achter. Is het beeld van een jongere die een vuurwapen draagt acceptabel, wanneer hij zich wil verdedigen in een oorlogssituatie? En wanneer mannen het verzet opnemen tegen hun onderdrukker, hebben zij dan iedere kwetsbaarheid verbannen uit hun eigen lichaam? Ik herinner Mahmoud Farajalah, de 26-jarige Palestijn wiens moeder in Gaza werd gedood en zelfmoord pleegde in het gesloten detentiecentrum in Steenokkerzeel, nadat hij meermaals psychologische ondersteuning had gevraagd. Ik herinner mij ook Mohammed, een Gazaan die vertelde dat een deel van zijn ziel is gestorven tijdens deze genocide. Wat als deze gebroken mannen wraakgedachten bezitten tegen diegenen die de massamoorden uitvoeren?
Het humanitair vertoog kan niet omgaan met zijn contradictorische en illusoire verhouding tot een uiterst gewelddadige realiteit. Dit vertoog wijst elke vorm van geweld af, maar gewapend verzet is net wat resteert wanneer kolonisatie en geleidelijke verdrijving daadwerkelijk plaatsvinden. Het publieke geheugen is ook vluchtig. In Gaza organiseerde men vreedzame protesten zoals de “Mars van de terugkeer” in Gaza (2018 tot 2019), die onmiddellijk onder vuur werden genomen door Israëlische sluipschutters. Wanneer geweldloos protest niet werkt en geweld veroordeeld wordt, vraagt men in de praktijk enkel de stille acceptatie van een trage dood. Dit vertoog heeft het ook moeilijk met de mogelijke eis om de kolonisatie ongedaan te maken. Ik denk evenwel niet dat er een scenario bestaat waarin het Palestijnse volk de realiteit van co-existentie kan ontwijken. Maar zelfs binnen de context van een genocide verwacht men het onmogelijke van Palestijnen: dat ze nu reeds in dialoog treden met de Israëlieten en dat een onmiddellijke samenwerking moet worden aangegaan, ook wanneer de andere zijde hen totaal niet erkent als gelijken.
Weg met het humanisme?
El-Kurd is stellig: “Het is beter om het aas en de beschuldiging uit te spugen. Om de eisen die ze ons stellen: perfect slachtofferschap en perfecte overgave, te demystificeren en te verwerpen”. Betekent dit dat we iedere referentie naar menselijkheid moeten verwerpen? Hiermee gooit men het kind met het badwater weg, temeer omdat het antikoloniaal denken een diepgewortelde humanistische traditie kent. Edward Said, een van de meest vooraanstaande verdedigers van de Palestijnse zaak, zag een humanistische houding als het enige mogelijke verzet tegen de voortdurende ontmenselijking van Palestijnen (en gekoloniseerden in het algemeen). Nauwgezet documenteerde Said hoe de vestiging van Israël enkel kon plaatsvinden door voortdurend iedere claim van de Palestijnen op het veroverde grondgebied te ontkennen. Politici, strategen en diplomaten stelden het Palestijnse grondgebied voor als regio zonder legitieme bezitters. Indien Palestijnen werden vermeld, dan werden ze gerepresenteerd als achterwaartse, ongecultiveerde boeren die het land hadden laten verloederen.
De oprichting van de Israëlische staat heeft de Palestijnen het recht op een eigen land ontzegd. De logica vanuit Israëlische zijde was en is zeer duidelijk: het Joodse volk heeft het natuurlijke recht om zichzelf vertegenwoordigd te zien in een staat, en dit kan zich niet materialiseren wanneer de Palestijnen een eigen claim kunnen maken op hetzelfde gebied. Daarom schreef men aan de Palestijnen niet dezelfde kenmerken toe die van nature als menselijk worden beschouwd; Said stelde dat Israël bestaat op basis van het idee van een functionele afwezigheid van een “inheems volk” in Palestina. Omdat de oprichting van de staat Israël steunt op deze ontkenning van het Palestijnse volk, zal de politieke dimensie bestaan uit een zwart-wit indeling. Volgens Fanon is iedere koloniale samenleving er een zonder verbinding, communicatie of mediatie: pure afscheiding, apartheid. Er is geen dialoog mogelijk tussen de inheemse bevolking en de kolonisator, omdat de gekoloniseerde in fine geen mens is. Tel Aviv werd gebouwd om de Arabische stad Jaffa te overschaduwen; het nieuwe Hoger-Nazareth begeleidt de “judaïsering” van de regio Galilea ten nadele van het oudere, Arabische en lager gelegen Nazareth. Said omschrijft deze politiek als (interne) exclusies. Een Palestijn was tot 1948 een inheemse afwezige zonder juridische betekenis, nadien kreeg hij volgens het Israëlische recht een status die minder was dan die van de inwoners behorend tot het “Joodse volk”.
Antikoloniale denkers en leiders – Said, Fanon, Senghor, Césaire en Nkrumah – zagen in het humanisme een vruchtbare basis om het kolonialisme te bestrijden en een rechtvaardigere samenleving op te bouwen. Belangrijk daarbij was een resolute afwijzing van Europees of bourgeois humanisme, dat menselijkheid beperkte tot enkele kenmerken die de onderdrukten vaak niet ter beschikking hadden of die tegen hen werden gebruikt, zoals respectabiliteit, geweldloosheid, burgerlijke normen en codes, onderwijs, en een afwijzing van wraak, afgunst of andere negatieve passies. Indien we de menselijkheid in iedereen willen waarderen, zal dat moeten gebeuren door ieder menselijk gedrag te erkennen. Een typerende menselijke eigenschap zou misschien enkel een streven naar vrijheid kunnen inhouden, wat Jean-Paul Sartre “praxis” noemt, waarbij ieder persoon zijn projecten nastreeft vanuit de situatie waarin die zich bevindt en met de middelen die hij ter hand heeft. Het project van de ene persoon heeft als aspiratie om een rationeel debat aan te gaan om een breder publiek te overtuigen; de andere kan ervoor kiezen om iedere wederkerigheid af te wijzen en directe, gewelddadige confrontaties aan te gaan met een directe vijand. Deze reacties zijn meer of minder afkeurenswaardig, maar geen enkele is daardoor minder menselijk. De conclusie is dat geen enkele reactie op de kolonisatie – met het woord, het beeld of het mes – de onrechtvaardigheid van de kolonisatie uitwist. En wat geldt voor het kolonialisme, kunnen we doortrekken naar iedere sociale onrechtvaardigheid. Als degenen aan de onderkant van de sociale ladder weigeren zich te houden aan de maatstaven van het civiele debat, doet dit niets af van de onrechtvaardigheid van de ladder zelf.
Van ethiek naar politiek
We moeten onze morele oordelen dus integreren binnen een breder politiek perspectief. We moeten de zoektocht naar de “perfecte slachtoffers” vervangen door een blik die mensen benadert als handelende, verantwoordelijke subjecten, die hun eigen vrijheid reeds honderd jaar hebben pogen te realiseren. Het Israëlisch-Palestijnse conflict begon niet op 7 oktober, zoals de media het steeds schetst, maar bezit een lange geschiedenis. We kunnen de huidige genocide alleen begrijpen binnen de context van een lange strijd tussen onderdrukkers en onderdrukten, in alle complexiteit die deze tweespalt reeds heeft aangenomen. Palestijnen hebben hun onderdrukking nooit passief ondergaan, maar bedachten telkens nieuwe strategieën om deze te overwinnen. We kunnen evalueren of deze keuzes hun doel hebben bereikt of niet, of ze meer geweld hebben opgeroepen dan bestreden, of ze gepast waren in specifieke situaties. Maar deze overwegingen impliceren dat we Palestijnen beschouwen als schrijvers van hun eigen verhaal, als actoren in een moreel en politiek universum waar ze ten volle deel van uitmaken.
Mijns inziens volgen er twee zaken uit een politieke blik op het Israëlisch-Palestijnse conflict. Deze blik dwingt ons tot een sobere en realistische analyse van de globale machtsverhoudingen die het conflict structureren. Ondanks alle academische trends en vernieuwingen bestaat er geen beter concept om deze situatie te vatten dan “imperialisme” – een woord zo vreemd voor de Europese burger en zo vertrouwd erbuiten. Nieuwe economische en politieke krachtlijnen hertekenen het imperialisme van de eenentwintigste eeuw. De wereld schuift in de richting van multipolariteit, maar de situatie in het Midden-Oosten blijft onbegrijpelijk zonder een analyse van de steun van de Verenigde Staten (en Europa in tweede instantie) aan Israël om de eigen politieke en economische belangen te vrijwaren. Edward Said benadrukt dat wanneer een imperialisme de controle van een territorium buiten de eigen afgebakende ruimte beoogt, dit niet enkel gaat over landbezit, maar ook over de controle van de ideeën en cultuur die ten dienste staan van dit project. Gedurende de laatste decennia zijn Europese journalisten de realiteit van het imperialisme vooral uit de weg gegaan. De oudere geschriften van Mahdi Amel en Frantz Fanon verklaren nog steeds een stuk beter waarom we in de huidige genocide zijn beland.
Een politieke blik maakt dat we keuzes en strategieën beginnen te evalueren op basis van hun effectiviteit. Hoe authentiek onze empathie met het Palestijnse volk ook is, dit helpt hen niet noodzakelijk verder. Bovendien, zoals reeds aangegeven, kan die empathie een schadelijk onderscheid reproduceren over wie al dan niet mag gerouwd worden. De ironie van het pro-Palestijnse protest is dat ze waarschijnlijk deze populariteit niet had kunnen bereiken zonder de humanitaire (fundamenteel depolitiserende) blik. Speel dus de humanitaire kaart wanneer het Europese politici onder druk kan zetten, maar laat ze vallen wanneer andere acties meer effectief zijn.
De politieke en historische blik maakt dat we ons bewust zijn van het feit dat structureel koloniserend geweld altijd gewelddadige vormen van verzet zal uitlokken bij de onderdrukten. Tal van historische voorbeelden hebben duidelijk gemaakt dat de emancipatie van een volk niet plaatsvindt op basis van louter wensdromen. Participanten in het debat moeten ook niet de vraag uit de weg gaan wie de dragende politieke groeperingen zijn in de Palestijnse beweging. Onder de noemer van (al dan niet gewapend) verzet gaan verschillende ideologieën schuil die niet dezelfde doelen nastreven. We moeten dan ook specifiek elke stroming analyseren binnen een concrete context in relatie tot de vraag of het gedachtegoed en de gehanteerde strategie emancipatie met zich mee zal brengen.
Men vraagt zich soms af waarom de Palestijnse zaak globaal dermate grote weerklank heeft gekregen in vergelijking met de humanitaire rampen in Kongo, Soedan of Jemen. Er bestaat alleszins geen hiërarchie van het lijden. Het antwoord daarentegen ligt in de taal van verzet zelf. Voor redenen die even structureel als contingent zijn, is de lange strijd van de Palestijnen een symbool geworden voor een weigering en voor de mogelijkheid tot een onderbreking van globale hiërarchieën van politieke dominantie. Abdaljawad Omar stelt de taal van het Palestijnse verzet voor “als een aanstekelijke kracht; als een grammatica die grenzen en talen kan overschrijden, die kan worden overgenomen in landen ver van Palestina, overal waar mensen worden geconfronteerd met de architectuur van een gereguleerd leven en een langzame dood.”
De Palestijn is een symbool van weigering, eerder dan een geprivilegieerd slachtoffer, dat andere pogingen tot verzet kan aanwakkeren. Niet toevallig stroomt uit de Palestijnse beweging een solidariteit met Soedan, of zoekt ze verbindingen met instellingen die ook bij ons nog een betere wereld trachten te verbeelden.