
Zweden kan zich buigen over een positieve mondiale reputatie wat betreft zijn progressief economisch beleid. Een solide uitgebouwde welvaartsstaat wordt bestuurd door goedhartige en bekwame sociaaldemocraten. Werk en privé lijken er sinds mensenheugenis even gebalanceerd als de verhouding tussen mens en natuur. De huidige realiteit verschilt echter van dit idyllische beeld. In zijn standaardwerk The Rise and Fall of Swedish Social Democracy (2024) legt Kjell Ostberg uit dat die grote sprongen voorwaarts telkens tot stand kwamen door druk van onderuit. Sociale bewegingen, van vakbonden tot feministen, dwongen de sociaaldemocraten om emancipatorische maatregelen te treffen. Op hun beurt waren sociaaldemocratische politici efficiënte bestuurders die de eisen van de sociale bewegingen wisten te vertalen in tal van concrete progressieve wetten. Binnen onze huidige ideologische constellatie zouden Vlaamse commentatoren deze maatschappelijke en politieke consensus tussen 1930 en 1990 zonder twijfel als “extreemlinks” bestempelen. Tijdens de jaren 1970 kende het land de grootste sprong voorwaarts: aanzienlijke uitbreiding van het ouderschapsverlof, meerderheidsparticipatie van syndicale afgevaardigden in alle grote Zweedse ondernemingen en een loonbeleid gericht op het verkleinen van inkomensongelijkheid. Vanaf de jaren 1980 drong de neoliberale contrarevolutie via de Stockholm Business School ook de Zweedse politiek binnen. De afstand tussen de sociale bewegingen en de partij groeide. Vandaag is Zweden veel minder een progressief gidsland dan 50 jaar geleden.

Niels Morsink is kernlid van de denktank Minerva.
Welke succesfactoren maakten dat de welvaartsstaat in Zweden tot stand kwam?
Vooraleerst moet gekeken worden naar de sociaaldemocratie als beweging. Zij was een sterk georganiseerde massabeweging waarin de vakbonden en vrouwenbewegingen een belangrijke rol speelden. Die beweging werd niet aangestuurd door een centraal partijapparaat. De druk kwam van onderuit. Dankzij deze massabeweging bleven de sociaaldemocraten heel lang aan de macht, zowel nationaal als lokaal. Het lokale niveau is in Zweden van groot belang, omdat het sociale beleid voornamelijk daar wordt gevoerd.
Sinds de jaren 1930 is de sociaaldemocratie quasi steeds aan zet geweest, waardoor zij veel expertise kon opbouwen op het vlak van politieke beleidsuitvoering binnen de staat en ideologische mediatie binnen de samenleving. Partijmandatarissen waren sterk aanwezig binnen de publieke administraties, zowel op nationaal als lokaal vlak, wat een consistent beleid op lange termijn mogelijk maakte. Deze machtsbasis kon pas gerealiseerd worden door nauwe contacten te onderhouden met de sociale bewegingen – zelfs wanneer die civiele organisaties niet akkoord gingen met bepaalde beleidspunten. De bureaucratie geraakte op die manier niet vervreemd van de burgers. Kortom, de sociaaldemocratie moet begrepen worden als een brede volksbeweging.
Hoe kwam deze volksbeweging tot stand?
De Zweedse sociaaldemocratie groeide net zoals haar grote Duitse broer uit de prille georganiseerde arbeidersbeweging. Een andere origine kan getraceerd worden in de drankbestrijdingsbeweging. Het was tijdens de negentiende eeuw en begin twintigste eeuw de grootste sociale beweging in Zweden. Veel arbeiders leerden hier de klappen van de zweep kennen om een “organische macht” op te bouwen, en die kennis was van onschatbaar belang om vervolgens syndicale verenigingen op te richten. Zij leerden op die manier gaandeweg hoe een beweging effectief te organiseren. Die onthoudingsbeweging liep samen met de vrije kerken ook voorop in de strijd voor het algemeen stemrecht. En deze tradities zouden geïncorporeerd worden door de sociaaldemocratie.
Hoe belangrijk was het algemeen stemrecht voor de sociaaldemocraten?
Het was de allerbelangrijkste eis die ze reeds in 1889 op het Stichtingscongres formuleerden. Het duurde echter tot 1918 vooraleer ze het recht ook grondwettelijk konden verwezenlijken. Sinds de jaren 1870, geïnspireerd door de Duitse socialistische beweging, intervenieerden reeds leiders van diverse vakverenigingen in het brede sociale debat om dat stemrecht onder de aandacht te brengen. De vraag was hoe dit politiek vertaald kon worden. De liberalen waren op dat moment de enige progressieve kracht in het parlement, maar zij weigerden om het algemene stemrecht op te nemen in hun partijprogramma. Dat maakte dat er een breuk kwam tussen hen en geschoolde arbeiders, die vervolgens hun eigen politieke weg begonnen te zoeken. In de jaren 1880 zouden ook intellectuelen uit de middenklasse hun gewicht in de schaal leggen om de eerste nationale bladen van de persen te laten rollen. Dit betekende niet dat de sociaaldemocraten plots een massabeweging werden. Dat gebeurde pas rondom de Eerste Wereldoorlog.
Hoe wilden de sociaaldemocraten het algemeen stemrecht afdwingen zonder het noodzakelijke parlementaire gewicht te vinden?
De Eerste Wereldoorlog zorgde in Zweden, net zoals in andere Europese landen, voor tal van sociale en politieke dilemma’s. Het eerste vraagstuk werd volledig bepaald door het lange debat over het “parlementarisme”. In hoeverre kon via parlementaire weg sociale hervormingen worden afgedwongen? Binnen een oorlogscontext werd die vraag nog een stuk pertinenter, vermits de beslissingen werden genomen door een kleine groep van politieke elites. Moesten de sociaaldemocraten hen bijstaan door zelfs een regeringspartner te worden? Het tweede dilemma vergrootte de discussie alleen maar: moest de partij al dan niet steun verlenen aan verhoogde militaire uitgaven. Deze twee grote vragen zorgden voor een aanzienlijke verdeeldheid binnen de partijgelederen. Ongeveer de helft van de leden was zowel gekant tegen een regeringsdeelname als tegen het verhogen van de militaire uitgaven. Ze waren verenigd in een strak georganiseerde en militante linkse factie binnen de partij.
Na de Eerste Wereldoorlog braken in Zweden verschillende hongeropstanden uit, voornamelijk geleid door vrouwen. Die opstanden kenden een groot succes en leidden net zoals in Rusland of Duitsland tot een revolutionair momentum. In Duitsland moest de keizer in november 1918 aftreden. In Rusland veroverde revolutionaire socialisten de staatsmacht. Dat internationaal revolutionair elan dwingt de Zweedse conservatieven tot het toestaan van het algemeen stemrecht; liever het huidige politieke systeem hervormen dan een implosie van de bestaande sociale orde te riskeren.
Tussen 1880 en 1925 woedde het debat over het “parlementarisme” en regeringsdeelname doorheen alle Europese sociaaldemocratische partijen. Kon het perspectief van een socialistische samenleving worden gerealiseerd doorheen de aanwezigheid in burgerlijke instituties? Zou deze aanwezigheid al dan niet leiden tot louter een co-optatie van enkele sociaaldemocratische leiders binnen die instituties om de sociale verhoudingen intact te laten? Is het concept van de democratie beperkt tot parlementair werk of moet ook de werkplek worden gedemocratiseerd? Binnen de partij waren het vooral de jongeren die in de bedrijven arbeidsraden wilden oprichten. Tijdens de jaren 1920 zou, net zoals in andere West-Europese landen, de uitbreiding van de statelijke macht en de stabilisering van de economie de sociaaldemocratie dwingen om de grenzen van de parlementaire orde te aanvaarden. De parlementsleden hadden het leiderschap van de partij in handen en wisten op die manier een regeringsdeelname door te drukken. Ze zetten de linkse factie uit de partij. Die werd lid van de Komintern – opnieuw een tendens die zichtbaar was in andere West-Europese landen. Vanaf dat moment ontstond de gekende tegenstelling tussen “reformisme” en “revolutionair socialisme”.
Tijdens de jaren 1920 bestuurden de sociaaldemocraten voor het eerst via minderheidskabinetten. Waar kwam dit idee vandaan? En was het een succes?
De sociaaldemocraten zochten naar mogelijkheden om te interveniëren in de samenleving en de staat te gebruiken als hefboom om reeds bestaande sociale initiatieven op nationaal vlak te institutionaliseren. Ze wilden het lot van de arbeiders verbeteren, maar stootten op hevige reactie van conservatieve politieke krachten. Vanuit hun minderheidsregering leek het socialisme ver weg.
Diverse intellectuelen hebben een belangrijke rol gespeeld in het uitdenken van de sociaaldemocratische weg naar maatschappelijke verandering. Hjalmar Branting, van hogere komaf, kan beschouwd worden als een van de theoretische vaders van het Zweedse reformisme. Tijdens de jaren 1920 zou hij tot driemaal toe het ambt van premierschap bekleden. Hij behoorde tot de eerste generatie sociaaldemocratische journalisten. Rondom de eeuwwisseling werd hij de intellectuele steunpilaar van de Zweedse sociaaldemocratie. Hij stichtte het maandblad Tiden (“De Tijd”) als discussieplatform om de ideologische en theoretische grondslagen van de partij verder uit te klaren. Tiden zou doorheen de decennia uitgroeien tot een aantrekkingspool voor tal van publieke intellectuelen (bijvoorbeeld Gunnar Myrdal). Branting was als jongeling hevig beïnvloed door de geschriften van de theoreticus van de Duitse sociaaldemocratie, Karl Kautsky. Net zoals Kautsky hanteerde hij een marxistisch denkkader, maar dan wel een dat “economistisch” en deterministisch was. Op basis van uitgebreid economisch wetenschappelijk onderzoek stelde Branting dat het kapitaal een versnellende tendens naar concentratie en centralisatie kende. Het kapitalisme elimineerde meer en meer kleinbedrijven en artisanale productie om plaats te maken voor monopolistische grootondernemingen. Dit maakte dat de algemene bevolking steeds meer proletariseerde, wat op zijn beurt zou uitmonden in een sociaaldemocratische politieke meerderheid. De anarchie van de marktwerking maakte op zijn beurt plaats voor gecoördineerde vormen van productie, en het arbeidsproces zou meer en meer gesocialiseerd worden door een groeiende complexiteit van het productieproces. Het socialisme zou omwille van die redenen een historische onvermijdelijkheid zijn wanneer de partij deze economische evoluties ten volle kan begrijpen. Tijdens de hoogdagen van zijn politieke carrière zou Branting de controversiële ideeën van Eduard Bernstein omarmen. Bernstein stelde het marxistisch kader grondig bij door een zachte vorm van parlementaristisch reformisme aan te hangen.
Nils Karleby trad in de voetsporen van Branting. Hij kwam uit arbeidersmiddens en kon via de partijscholen en culturele partij-organisaties opklimmen tot redacteur van diverse sociaaldemocratische bladen. Hij zou de theoretische hoeksteen worden van de tweede en derde generatie sociaaldemocraten. Het is niet overdreven om te stellen dat zijn geschriften meer neigden naar het latere idee van een (keynesiaanse) “gemengde economie”: een combinatie van privaatbezit van kapitaal met arbeidersparticipatie, staatsbedrijven, coöperatieve bewegingen en een interveniërende welvaartstaat qua publieke dienstverlening. Hij ontwikkelde het idee van “functioneel socialisme” in zijn werk Socialismen inför verkligheten (“Het socialisme tegenover de werkelijkheid”). Dit idee stelt dat onmiddellijke praktische hervormingen belangrijker zijn dan een alomvattende maatschappelijke transformatie. Hij vatte de nieuwe ideologisch doctrine samen in één zin: ‘Het doel is niets, de hervormingen zijn alles”. De socialistische totaalvisie wordt bewust gelimiteerd door de eisen tot veranderingen in te bedden in een liberale staatsordening.
Karleby’s opvattingen werden door de meeste partijkaders aanvaard omdat de partij in 1932 een parlementaire meerderheid wist te behalen. De volgende vierenveertig jaar bleef de partij ook aan de macht, waardoor het “functioneel socialisme” een leidend principe zou vormen om een welvaartstaat op langere tijd uit te bouwen.
Kan u een schets maken van de omstandigheden waarin de sociaaldemocraten deze meerderheid wisten te behalen?
Het was een tijd van politieke radicalisering en polarisering in Europa. Op economisch vlak ontsnapte Zweden niet aan de lange economische crisis. De werkloosheid was gigantisch, in sommige gebieden had de helft van de arbeiders geen werk. Het is dan ook niet verwonderlijk dat stakingen en sociale protesten aan de orde van de dag waren. De sociale onvrede werd op een gewelddadige manier onderdrukt door de inzet van militairen. Het leger schoot verschillende arbeiders dood. De organiserende sterkte van de vakbonden maakte dat het fascisme nooit een kans maakte om een massabeweging te worden in Zweden. De sociaaldemocraten wisten op die manier de malaise om te zetten in een eis tot progressieve veranderingen. De bevolking schaarde zich achter Karleby’s idee van een gemengde economie om uit het dal te klauteren. Een van de centrale eisen was dat de ongewilde werkloosheid moest vergoed worden door een vervangingsinkomen, wat zeer positief werd onthaald door een bevolking in diepe financiële nood.
Slaagde de sociaaldemocratie er ook in om onmiddellijk die gewenste sociale welvaartstaat te realiseren?
Neen. De fiscale basis voor grotere overheidsuitgaven was op dat moment veel te klein. Zweden werd getekend door een perifere economie met een lange geschiedenis van zeer weinig publieke investeringen. Sociale hervormingen werden ingevoerd, maar ze waren nog steeds bescheiden qua schaalgrootte en aantallen. Medio jaren 1930 daalde de werkloosheid enigszins door een voorzichtig herstel van de internationale economische conjunctuur. De Zweedse economie groeide door de stijgende uitvoer van grondstoffen naar landen die zich opmaakten voor een algemene herbewapening. De sociaaldemocraten konden wel bewijzen dat ze beter in staat waren om een crisis te bedwingen dan de liberalen en conservatief-liberalen.
De partij wist zich op te werpen als de vertegenwoordiger van de modernisering van de economie. Haar kaders, veelal doorgestroomd uit de bredere lagen van de samenleving, benaderden de samenleving als sociale ingenieurs die op rationele wijze programma’s uitdokterden om het dagelijkse leven van mensen te verbeteren. Deze ingenieurs wisten de huizencrisis aan te pakken en meer ondersteuning te bieden aan gezinnen met kinderen door bijvoorbeeld kinderopvang in te richten. Dat laatste maakte het mogelijk voor vrouwen om werk en gezin te kunnen combineren. Deze egalitaire kijk maakte dat Zweden, in tegenstelling tot andere westerse landen, nooit een mannelijk kostwinnersmodel heeft gekend. De kiezers merkten onmiddellijk de resultaten op van de hervormingen. Het functionele socialisme kon daarom telkens opnieuw quasi de helft van het electoraat overtuigen.

Hoe kan je de verhouding tussen sociaaldemocratie en patronaat typeren?
De partij maakte snel duidelijk dat ze het bedrijfsleven niet zou nationaliseren. Dat was de grootste bezorgdheid binnen het bedrijfsleven. De overheidsadministraties hadden meer fiscale inkomsten nodig om verdere hervormingen door te voeren, en dat kon pas gerealiseerd worden door economische groei te stimuleren. De onderontwikkeling van de industriële sectoren was een centraal probleem om tot die groei te komen. De sociaaldemocratische kaders wilden de industriële productie meer kapitaalefficiënt maken. Het kapitalisme moest op rationele manier worden georganiseerd om de algemene welvaart te verhogen.
De wetgever eigende zich bepaalde juridische bevoegdheden toe om een institutioneel kader te bouwen rond de bilaterale industriële relaties tussen arbeid en kapitaal – de staatsadministratie was geen derde partner. De vakbonden kregen directe onderhandelingsmacht om bindende akkoorden te sluiten met de werkgeversorganisaties, wat uitmondde in de Saltsjöbaden-overeenkomst. Het was een overeenkomst tussen de vakbondsconfederatie Landsorganisationen i Sverige en de werkgeversfederatie Svenska arbetsgivareföreningen. De algemene bedoeling was om de conflictueuze en spontane aard van loononderhandelingen te wijzigen naar een zelfgereguleerd consensusmodel en de contractuele afspraken tussen werknemer en werkgever juridisch te formaliseren en standaardiseren. Zowel stakingen als lockouts werden gereguleerd door een wettelijk kader die moesten worden geïmplementeerd door beide zijdes. Dit maakte dat bepaalde oppositionele tendensen binnen de vakbonden wettelijk konden worden uitgesloten.
Eind jaren 1960 werd de partij ook verrast door de plotse militante houding van verschillende vakbondscentrales. Zo ontstond een wilde staking van mijnwerkers die het bilateraal consensusmodel onder hoogspanning zette. Deze staking kreeg navolging in andere sectoren. Negenentachtig procent van de bevolking steunde de mijnwerkers. De directe eis was een hoger loon, maar de staking wierp ook vragen op over de arbeidsomstandigheden en het medezeggenschap van werknemers. Een algemeen publiek debat ontstond over de autonomiestatus van werknemers op de werkvloer. Het debat leidde tot een fundamentele verschuiving in het arbeidsrecht. De industriële arbeidsrelaties waren tot dan een exclusieve materie voor het bilateraal overleg. Nu eisten vakbonden plots dat de overheid een interveniërende rol op zich moest nemen om de modaliteiten van het arbeidsrecht mede te bepalen. Het ontslagrecht werd danig aangepast om te verhinderen dat werknemers op eenvoudige manier konden worden ontslagen. Een nieuwe welzijnswet gaf het recht aan arbeiders om het werk neer te leggen bij gevaarlijke omstandigheden. De betaalde vakantie werd eerst naar drie en vervolgens naar vijf weken verhoogd. De partij voerde ook een arbeidsduurvermindering en een verlaging van de pensioensleeftijd in. En tenslotte werd de gezondheidszorg volledig toegankelijk voor elke burger.

Konden op dat moment meer vergaande sociale hervormingen worden gerealiseerd?
Absoluut. We zien hier de gestage bloei van een “rationeel kapitalisme” op macro-vlak. Het toenmalige Zweedse kapitalisme werd sterk gedomineerd door conglomeraten aan banken die een sterk greep hadden over de exportgerichte industrie. Hun investeringsbeleid bepaalde de kapitaalefficiëntie van deze industrie. De overheid besloot om een interveniërende partner te worden om die investeringen aan te moedigen. In ruil voor de steun door de overheid moesten die banken zich inzetten voor een hogere tewerkstellingsgraad, uitbreiding van de productiecapaciteit en hogere fiscale bijdragen aan de staat. Het resultaat was een merkbare economische groei die de uitbouw van de sociale welvaartstaat mogelijk maakte.
De gewone werknemer merkte opnieuw de voordelen van dit beleid op. Tijdens de jaren 1930 voerde de overheid reeds twee weken betaalde vakantie in. De nasleep van de Tweede Wereldoorlog zou de uitbreiding van de sociale rechten alleen maar opvoeren, en dit onder druk van het electorale succes van de Zweedse communistische partij.
Tijdens die prille naoorlogse jaren publiceerden de sociaaldemocratische kaders verschillende beleidsrapporten die aanstuurden op diepgaande structuurhervormingen van de economie. De rationalisatie van de economie zou nu wel gepaard gaan met bepaalde nationalisaties. De gemengde economie zou meer geschraagd zijn op een alomvattende planmatige aanpak. De banken en grootindustriëlen weigerden deze koers te aanvaarden. Ze gingen wel akkoord met de overheid om hogere belastingen op de winsten af te dragen, wat de fiscale basis vormde voor het invoeren van publieke ziekteverzekering en een adequaat publiek pensioensysteem. Dat publiek pensioenfonds werd wettelijk verplicht en kon als royaal worden bestempeld in vergelijking met andere Europese landen. De gepensioneerde kon via de werkgeversbijdragen rekenen op 66% van het loon dat hij tijdens de vijftien best betaalde jaren ontving.
Hoe verliep de economische evolutie tijdens de jaren 1950?
De aanhoudende economische groei dreigde voor oververhitting van de economie te zorgen. Elk industrieel succesverhaal kan zorgen voor mogelijke prijsinflatie wanneer de sector aan kapitaalgoederen sneller groeit dan de sector van consumptiegoederen. De vakbonden gingen daarom akkoord om de lonen niet even sterk te laten stijgen om die inflatie te temperen. Vooral in de exportgerichte industrieën in de zuidelijke regio’s, daar waar de lonen reeds het hoogst lagen, werden de loonsverhogingen gematigd om een internationaal comparatief voordeel te behouden. Sectoren die meer gericht waren op de binnenlandse markt kenden wel loonsverhogingen. Dit maakte dat de economie meer evenwichtig werd. Algemeen zag je een arbeidsmigratie van noord naar zuid – in industriële steden waar de innovatieve processen zich concentreerden.
Hoe evolueerde het politieke landschap?
De jaren 1950 kenden weinig ideologische strijd. Er bestond een grote maatschappelijke consensus rond het idee van een gemengde economie. Toch begon de electorale steun voor de sociaaldemocraten in bescheiden mate af te kalven. Voortaan regeerden zij samen met de Centerpartiet, een centrumpartij die het opnam voor de agrarische belangen. Dat leidde echter niet tot een wezenlijke koerswijziging.
De belangrijkste sociale vooruitgang tijdens de jaren 1960 betrof de publieke investeringen in de woningmarkt. De grootstedelijke huizenmarkt kende een aanzienlijke krapte. Daarom bouwde de regering op tien jaar tijd een miljoen huizen aan de stedelijke rand. De overheid financierde deze enorme investering vanuit het staatspensioenfonds. De woningen waren in het bezit van de gemeenten. De sociale woningen werden dus gebouwd voor de algemene werkende bevolking en niet uitsluitend voor de sociaal kwetsbaren. De publieke gemeentelijke woningmaatschappijen kregen hierbij van overheidswege veel betere leningsvoorwaarden dan private bouwfirma’s.
Konden de woelige jaren 1960 deze consensuskoers niet verstoren?
Studenten genoten van de invoering van beurzen of studieleningen aan zeer gunstige voorwaarden, waardoor veel jongeren uit de arbeidersklasse opwaartse sociale mobiliteit kenden. Dit was trouwens ook een centraal idee bij Karleby, die stelde dat scholing van arbeid een adequate vorm van armoedebestrijding was. Maar er bestaat een historische constante wanneer bredere lagen van de bevolking de kans krijgt om door te stromen naar het hoger onderwijs: de creatie van een kritische intellectuele laag binnen de samenleving. Zweden kende net zoals andere West-Europese landen studentencontestatie. Deze studenten beweerden dat de oude sociaaldemocratie alleen oog had voor socio-economische zaken. Zij lagen aan de basis van nieuwe sociale bewegingen die meer oog hadden voor pakweg ecologie of feminisme.
We kunnen algemeen stellen dat tijdens de jaren 1970 de Zweedse sociaaldemocratie zich op voorzichtige en pragmatische wijze verhield tot de protestbewegingen. Via de partij konden bijvoorbeeld de feministen de wetgeving beïnvloeden op tal van punten: de anti-discriminatoire regelgeving, de uitbreiding van het kinderopvangaanbod, progressieve echtscheidingswetten en de invoering van zeven maand ouderschapsverlof voor beide geslachten.
Dit wil echter niet zeggen dat de ideologische verstandverhouding tussen de sociaaldemocratie en Nieuw Links een solide basis kende. Nieuw Links kwam ook voort uit een onvrede met de vervreemdingseffecten van het gerationaliseerde fordisme, wat net behoorde tot de kern van het economisch beleid van de vorige generatie sociale ingenieurs. Op realpolitisch vlak kan je stellen dat er een inter-elite strijd aan de gang was, waarbij de klassieke partijkaders weinig geneigd waren om sleutelposities te geven aan leidende figuren uit de nieuwe sociale bewegingen. Binnen de partij kon de wijzigende ideologische agenda vooral gevonden worden binnen de jongerenafdelingen en de vrouwenliga.
De partijtop besloot dus om Nieuw Links niet te omarmen. De nieuwe generatie aan intellectuelen werd aanzien als te radicaal, hoewel niemand twijfelde aan hun expertise. Een gekend voorbeeld was de befaamde socioloog Göran Therborn. De hogere echelons nodigden hem uit om een vernieuwde beleidsvoerder te worden, om hem vervolgens uit de partij te weren toen zijn kritiek iets teveel doornen vertoonde. In Frankrijk of Duitsland wisten de sociaaldemocraten wel om de leidende stemmen van Nieuw Links te incorporeren – zij het nu uit trotskistische, ecologische of autonomistische hoek was.
Wilden de sociaaldemocraten ook meewerken aan het idee van medebeheer binnen de ondernemingen?
Dat zou net het hoogtepunt van deze hervormingsgeest moeten geweest zijn. In 1975 stelde de partij het idee van werknemersfondsen voor: een winstdeling tussen kapitaal en arbeid die zou hebben geleid tot meerderheidsaandeelhouderschap in alle grote ondernemingen voor de laatste – de bekomen winsten werden geconverteerd in aandelen. De steun voor dit nieuwe en revolutionaire voorstel was wijdverspreid onder de bevolking. De stap naar het socialisme zou dan niet via nationalisaties verlopen, maar via zelfbeheer door syndicale organisaties. Het voorstel werd echter nooit ingevoerd.
Maar het onvoorstelbare gebeurde. In 1976 zaten de sociaaldemocraten niet in de regering ondanks dat de electorale resultaten stabiel bleven. De internationale economische crisis raakte Zweden midscheeps. De kapitalistische klasse had via haar media hevige oppositie gevoerd tegen de sociaaldemocraten, wat de druk op het centrum verhoogde om een coalitie te vormen met twee kleine conservatief-liberale partijen. Daarenboven was er de kwestie over het bouwen van nieuwe nucleaire centrales die intern voor onenigheid zorgde.
Kwamen de sociaaldemocraten ook onder invloed van het neoliberale gedachtegoed?
Zweden kende een zeer diepe economische crisis eind jaren 1970 die het centrumrechtse interregnum snel ongedaan maakte. Tijdens de volgende legislatuur onderging het beleid van de sociaaldemocratische partij een duidelijke gedaanteverwisseling. Het idee van de “new economy” was gearriveerd. Het idee ontstond binnen de partij dat de oorzaken van de economische malaise moest gezocht worden in de wijze waarop de gemengde economie zichzelf reproduceerde. Sommige kaderleden geloofden in de gedachte dat een “profit squeeze” aan de basis lag van alle problemen: te hoge lonen gecombineerd met teveel sociale bijdragen door kapitaaleigenaars. Daarom identificeerden sommige leidende partijfiguren zich met het elitaire vertoog van de Stockholm Business School: de bedrijfswinsten moesten opgetild worden ten nadele van publieke uitgaven die de ongelijkheden wisten te verkleinen. In de jaren 1980 zouden de sociaaldemocraten op actieve wijze een golf aan deregulatie initiëren.
Hoe kregen ze deze neoliberale omwenteling uitgelegd aan hun achterban?
De charismatische leider Olof Palme, die gekend stond als een grote verdediger van de welvaartsstaat, maakte een bocht van 180 graden. Hij lanceerde het fatale idee dat de neoliberalisering op korte termijn de voorwaarden zou scheppen om de welvaartstaat op lange termijn terug op te bouwen. Maar we hebben wetenschappelijk kunnen vaststellen dat deze experimenten totaal anders uitdraaiden. De afbouw van sociale voorzieningen leidt altijd tot langdurige stagnatie met diepere crisisperiodes en het terugdraaien van groeiende rijkdomconcentratie blijkt een lastige onderneming te zijn. Palme verbeeldde zijn neoliberale weg als een tunnel waardoorheen de burgers zich moesten worstelen, maar het licht op het einde van die tunnel heeft niemand ooit gezien. In zijn laatste interview leek Palme spijt te hebben van zijn neoliberale beslissingen. Hij stelde dat het beschavingsniveau van een land te meten valt aan het niveau van haar welvaartsstaat.
Tijdens de jaren 1990 volgde de grote golf aan privatiseringen. Een nieuwe economische crisis maakte dat de liberaal-conservatieven opnieuw aan de macht kwamen, waarbij de sociaaldemocraten onder de magische grens van de veertig procent doken. Deze conservatieve partijen grepen deze opportuniteit aan om de gezondheidszorg en de publieke huisvesting te privatiseren ten voordele van monopolistische renteniersbedrijven. In 1994 kwamen de sociaaldemocraten opnieuw aan de macht, maar ze draaiden deze privatiseringen niet meer terug. Opnieuw zou dat langdurige stagnatie in de hand werken.
Kent Zweden ook een opgang van extreemrechts?
Jazeker, sinds de financiële crisis van 2008 vond een opvallende groei van de nieuwrechtse Sverigedemokraterna plaats, die vooral succesvol zijn bij kapitaaleigenaars en handarbeiders. Dat zorgde voor een ideologische omwenteling binnen de samenleving. Alle sociale problemen worden herleid tot een debat over migratie. Zowel de sociaaldemocraten als de liberaal-conservatieven partijen concurreren nu met elkaar om het strengste migratiebeleid aan de kiezer te presenteren. Deze opportunistische manier van politiek voeren heeft de electorale doorbraak van nieuwrechts niet weten te stoppen. De sociaaldemocraten hebben grotendeels de extreemrechtse standpunten omgezet in beleid, maar dat heeft alleen gezorgd voor het feit dat de Sverigedemokraterna momenteel de tweede grootste partij van het land zijn.
Hoe verging het de sociaaldemocraten ondertussen?
Sinds de jaren 1990 verloren de sociaaldemocraten gestaag stemmen. Tot 1991 kregen ze ongeveer 45% van de stemmen, maar de afgelopen twintig jaar fluctueerden ze rond de 30%. Heden geven peilingen aan dat ze misschien 35% van de stemmen kunnen halen. De huidige rechtse regering voert op een amateuristische manier beleid, zonder veel strategische lijn, waardoor de sociaaldemocraten terug wat kiezers weten terug te winnen. Electorale analyses hebben aangetoond dat veel mensen met een migratieachtergrond en personen uit tot de lagere inkomensregionen zijn afgehaakt.
De ontkoppeling tussen partij en sociaal middenveld maakt dat de sociaaldemocraten zich niet meer kunnen organiseren als een massabeweging. Ze worden ook zeer sterk geassocieerd met de afbouw van de zorgstaat. De orthodoxie van begrotingsevenwichten heeft gemaakt dat veel te weinig werd geïnvesteerd in de levensstandaard van de werkende klasse. Het ledenaantal stortte tevens in. Een stroomversnelling in deze neergang was het opheffen van het automatisch dubbel lidmaatschap. Wie lid werd van een vakbond, was tot de jaren 1990 ook automatisch lid van de partij. Sindsdien verloor de partij tweederden van haar leden, en de resterende leden zijn veelal ouder dan zestig jaar. De kaders vertonen een tendens tot oligarchisering. Jongeren en militanten uit het middenveld stromen niet meer door. Vandaag kent de partijtop dezelfde sociologische samenstelling als de liberaal-conservatieve partijen. Uittredende mandatarissen stappen meteen de zakenwereld in. Veertig jaar geleden zou deze handelswijze op grote afkeuring vanuit de basis zijn gestuit.
De oppositie tegen deze kaders kan gevonden worden in het middenveld, en zeker binnen de vakbondsrangen. De syndicale wereld heeft een linkse denktank opgericht om de partij opnieuw te dynamiseren en te democratiseren. De vakbond heeft ook leden verloren, maar nog ongeveer 60% van de arbeiders is lid van een vakbond.
Is er nog een ander Engelstalig boek dat u ons wil aanraden?
Ik zou van harte het werk van Jenny Andersson (Uppsala Universitet) willen aanraden. Zij maakt mijns inziens de scherpste analyses wat betreft de redenen voor de neergang van de sociaaldemocratie.