
De blauwe edelstenen glimmen in het felle tl-licht. Ze pronken op de toppen van de kronen die roerloos rusten op roodfluwelen kussentjes. Die kussentjes balanceren op hun beurt op de omgebogen polsen van de dankbare dienaren: ze stromen in keurige rijen de winkel binnen met lange pinguïnjassen en een onbuigbaar respect voor hiërarchie. Daarop volgt de Roemeense koning. Die is te jong en te gemakzuchtig om de autoriteit te kunnen dragen, maar hij doet toch graag alsof. Ik stap als vanzelfsprekend over de etiquettaire barrière heen en vraag hem naar zijn achternaam. Cronenberg, zucht hij zelfgenoegzaam. Tot plots de wekker mijn droom binnenvalt: een schel gebiep en een natte poezenneus. Ik scheur met tegenzin mijn oogleden open en trek mezelf recht uit bed. ”De Roemeense koning?”. Hoe kom ik er bij? Geen tijd voor psychoanalytische mijmeringen. De eerste opstand begint al bij het opstaan.

Alexandra Van Laeken is doctoraal onderzoeker in de filosofie (politieke esthetica), verbonden aan Universiteit Gent en Universiteit Antwerpen (FWO Vlaanderen, beurs: N°11P9C24N (2023-2027)). Zij is tevens actief in de schrijf- en podiumkunsten, onder andere als mede-oprichter van het kunstcollectief RuimteTuig.
“Allemaal sàmen … tegen de begròting!”, zingt de massa in ritmische kadans. Het regent en de protestliederen worden overtroffen door een ruige winterwind. Paarse vingers en een ijzige moed, toch staan ze er … allemaal samen … tegen de begroting. Het vakbondsvestje schreeuwt door een megafoon de menigte toe en zij brullen na. “Meer dan ooit willen ze ons doen geloven dat protest niet werkt. Dat de begroting erdoor komt tijdens de protesten, is een klap in het gezicht van de democratie”, merkt de gemoedelijke ambtenaar terecht op. Daarom komen we hier vandaag allemaal samen voor het algemeen goed. Toch kan ik me er zelf nooit toe brengen om volmondig mee te schreeuwen. Hoezeer ik ook achter de boodschap sta, het gezamenlijk gezang lijkt volledig tegen mijn twijfelende bestaan in te gaan. Ik voel me een antirevolutionair, een dienaar die de kroon hoog en droog op het rode kussentje hijst.
Ik bedenk mij hierbij hoe ik mijn eigen filosofen-helden aan het teleurstellen ben. De Franse garde: Alain Badiou, Étienne Balibar, Jacques Rancière, Gilles Deleuze, … Ze stonden allemaal vooraan op de barricades tijdens het protest van mei ‘68. Die welbepaalde lente kwamen arbeiders en studenten voor het eerst samen op straat omdat ze, tot hun eigen verwondering, onder hetzelfde onrecht leden: een gebrek aan representatie. “De boomers houden ons gevangen in hun gefaalde fantasie, protest werkt niet langer”, merkt de uitgeputte activist naast me op. En ik kan hem geen ongelijk geven. Willen we opstand nog au sérieux nemen, dan moeten we haar als concept heruitvinden.
Dus duik ik eerst in de fantasie van de boomers: mei ‘68 en haar (gefaalde?) revolutie. In het kielzog woedt een anti-kolonialistische geest door Europa. De onafhankelijkheidsstrijd van Algerije ontlook woest protest tegen de Franse regering. Daarbij komt ook nog de kritiek op een groeiende ongelijkheid binnen de kapitalistische structuur. Het socialistisch alternatief als ideaal viert hoogtij. Publieke intellectuelen zoals Albert Camus en Jean-Paul Sartre veroveren een prominente positie in de samenleving om de revolte onder woorden te brengen.
Maar het duurt niet lang of het geloof in het rode regime wordt reeds half doorprikt door het toenemende aantal berichten over wandaden die uit Rusland komen waaien. Het post-stalinisme slaagt er niet in komaf te maken met hiërarchische sociale verhoudingen, de Sovjet-Unie kent zijn eigen bureaucratische elites. De filosofische hoop schuift van existentialisme naar structuralisme. Louis Althusser pleit voor een anti-humanistische lezing van Marx. Hij kant zich tegen Sartre en Camus, de gouden leugen van het zelfbeschikkende subject wordt van zijn troon gehaald. Marx’ vroege geschriften over het vervreemde subject laten we achterwege, want zelfs een vervreemd subject houdt de illusie van een vrij subject in stand. Elk subject is gedoemd onderworpen te zijn aan ideologie, zo stelt Althusser. Maar de ene ideologie is de andere niet. Het subject zit altijd vervat in een structuur. Het heeft een job en een naam. Het doet aan sport en cultuur. Daartegenover staat het historisch materialisme, een objectieve wetenschap die de ideologische machtsstructuren juist wil blootleggen en omverwerpen. Het is de taak van de filosofie om de twee van elkaar te onderscheiden.
Louis Althusser sprak op Franse radio- en tv-zenders, blies nieuw leven in de communistische partij en liet de aula’s volstromen met studenten om met zijn allen samen Das Kapital te lezen. Onder deze studenten bevonden zich ook Alain Badiou en Jacques Rancière. Maar terwijl de nieuwe generatie denkers zich bij de protesterende massa voegde, hield Althusser zich eerder afzijdig. De studenten voerden volgens hem een strijd die niet de hunne was. Het is aan de arbeider om in opstand te komen, niet aan de filosoof. Dat stond in schril contrast met het grenzeloze optimisme van zijn studenten, die met toeters en bellen vooraan liepen in de voorhoede van het verzet.
De jaren gingen voorbij. Links zwakte af. Mei ‘68 lijkt begraven onder de vergetelheid van de tijd. Badiou botst op de vraag hoe we betekenis kunnen geven aan deze gebeurtenissen zonder te vervallen in mijmering of nostalgie. Hoe kan hij aantonen dat mei ‘68 een voorval van ware emancipatorische politiek was? We kunnen de totaliteit van Badiou’s filosofische onderneming begrijpen vanuit deze vraag. Hij ontwerpt een filosofie van het “evenement”: een gebeurtenis die de alledaagse gang van zaken verstoort.
Daarbij haalt hij het concept “subject” terug van onder het stof. Niet als een zelfbeschikkend subject of een liberaal individu, maar als een trouw subject dat gegrepen is door een bepaalde waarheid in politiek, liefde, kunst of wetenschap. En het is die waarheid die een evenement tot stand brengt. Het subject kan de vorm aannemen van een partij, een geliefde, een onderzoeksgroep of een reeks kunstwerken, zolang het maar de effecten van een waarheid uitdraagt. Op die manier treedt Badiou ook enigszins in de voetstappen van Althusser: het is de taak van de filosofie om waarheid van ideologie te onderscheiden. Maar de waarheid zelf, aldus Badiou, die zit niet vervat in een theorie, maar in de verwezenlijking van een evenement.
“Dit is de val waar we allemaal in trappen: dat we allemaal denken de waarheid voorhanden te hebben en dat we ons enkel in het uitdragen daarvan een weg naar een betere wereld kunnen banen”, zucht Rancière vanop de laatste lessenaar in de klas. Willen we het communisme als alternatief voordragen, laten we dan beginnen met gelijkheid, in plaats van daar te willen eindigen. Hij waarschuwt de filosofen voor platoonse neigingen: we willen net als Plato filosofen-koningen worden. De samenleving in een structuur gieten en iedereen een plek toewijzen: de arbeiders moeten in opstand komen en de filosofen moeten de waarheid van de schijn onderscheiden. Iedereen zijn rol. Hoe meer we dit herhalen, of het nu in de vorm van een normatieve filosofie of een descriptieve sociologie is, hoe meer we de ongelijke rolverdeling net bevestigen. Werkelijke emancipatie begint daarentegen, volgens Rancière, bij het verwerpen van deze rolverdeling.
Zo vindt Rancière een emancipatorische politiek onder andere terug in de esthetica. De esthetische aanschouwing is bij uitstek democratisch: iedereen beschikt over de capaciteit iets schoon te vinden en daar met subjectieve universele geldigheid over te spreken. Bovendien gehoorzaamt de esthetische ervaring niet aan de heersende wetten van zichtbaarheid en hoorbaarheid. Ze installeert als het ware een andere verdeling in de zintuiglijkheid: bepaalde zaken komen prominenter naar voren dan andere, randfiguren worden hoofdrollen en textuur wordt betekenisvol.
Ik denk terug aan mijn Roemeense koning, die kroonloos achter zijn dienaren hinkt. Is het toeval dat het net de Roemeense koning was, die in 1947 van zijn troon was gehaald door het communistische regime? Niets is wat het lijkt en de schijn van de blauwe edelstenen houdt zich artificieel hoog. De rolverdeling was altijd al dubieus. Zijn achternaam verwijst niet alleen naar het statige symbool van macht, maar ook naar transformatie. David Cronenberg is de regisseur die body horror uitvond. De overmoed waarmee mensen hun tekort willen overkomen en de excessieve lust waarmee ze zichzelf te gronde richten, staan hierin centraal – denk aan de The Fly (1986) en Videodrome (1983). Dit wordt uitgebeeld op een zodanig vleselijke (en evenzeer vreselijke) manier dat het de kijker haast fysiek lijkt aan te raken. Het hoofdpersonage valt al snel van zijn troon, en jij tuimelt mee naar beneden. Zo verschuift en herverdeelt Cronenberg zintuiglijke indrukken. De dienaren worden betekenisloos en de edelstenen verliezen hun glans. Wat is een opstand, anders dan het willen loskomen van een vaste structuur?
Voelen we ons niet machteloos tijdens de stakingsprotesten omdat het overdadig gereguleerd is volgens bepaalde rolpatronen? Werknemers staken, maar zelfstandigen niet. De media laat elites aan het woord, maar vergeet de stem van degenen die de sociale gevolgen zullen dragen. Politici in de Wetstraat kijken spottend toe en bekennen met een halve grijns dat het aan hen voorbij gaat wanneer er nu wel of niet geprotesteerd wordt. Indien politiek verandering inhoudt, dan speelt die zich zeker hier niet af. De vraag is: waar dan wel? En dat is een open vraag, één die eerder draait om zoeken dan om vinden. Laat die zoektocht misschien opstand zijn.