13 mrt 2026

Vijay Prashad: “Het cultureel conservatisme in Europa gaat gepaard met de kannibalisatie van haar economie”

Vijay Prashad is een Indische historicus en opiniemaker. Hij staat wereldwijd bekend om zijn scherpe analyses van het imperialisme, de (neo-)kolonisatie, de Noord-Zuid-verhoudingen, de mondiale economische ongelijkheid en de moderne geschiedenis van sociale omwentelingen. Prashad is ook uitvoerend directeur van het Tricontinental Institute for Social Research. Dit instituut is een internationale denktank en een kenniscentrum dat een brugfunctie wil vervullen tussen sociale bewegingen en academisch onderzoek. Prashad begon deze indrukwekkende carrière in 1994 toen hij zijn doctoraatstitel aan de University of Chicago behaalde. Reeds toen legde hij zijn academische focus op de politieke en sociale geschiedenis van Zuid-Azië – iets wat nooit verdween. Tussen 1996 en 2017 was hij verbonden aan het Trinity College, waar hij onderzoek voerde binnen het kader van wereld-geschiedenis en mondiale politieke verhoudingen. Ondertussen heeft hij zichzelf op de kaart gezet als publiek intellectueel met tal van publicaties in gerenommeerde bladen zoals Monthly Review en The Nation. Algemeen staat hij bekend als een kritische stem die zich uitspreekt tegen de onderdrukking van de armere regio’s in de wereld. In december wist het Masereelfonds hem te overtuigen om een lezingentour te houden over de historische achtergrond van de huidige mondiale verschuivingen.

Interview met Vijay Prashad, afgenomen door Jelle Versieren

Jelle Versieren is historicus verbonden aan de Universiteit Antwerpen, Centrum voor Stadsgeschiedenis, en is gastdocent aan de Universiteit Gent. Hij doet onderzoek naar de transities naar het kapitalisme in Europa, en schrijft ook over de geschiedenis van het economisch denken en kritische filosofie. Hij is adviserend redacteur voor History of Intellectual Culture. Hij schrijft geregeld bijdragen voor tijdschriften zoals Review of Radical Political Economics, Journal of Historical Sociology, Capital & Class, Critical Horizons, Social Theory & Practice en Journal of Contemporary Asia.

U heeft reeds een dertigtal boeken geschreven. Dat komt neer op een manuscript per jaar, een indrukwekkend cijfer. Speelt uw familiale achtergrond een cruciale rol in uw rol als kritisch onderzoeker en publiek intellectueel?

Dit is een zeer accurate vaststelling. In 2026 zal ik minder wetenschappelijk werk uitbrengen. Ik ben namelijk bezig met het schrijven van een boek dat mijn familiegeschiedenis in kaart brengt. Ik ben op een leeftijd gekomen waarop een mens wel eens achterom kijkt. Ik kom tot de vaststelling dat de intellectuele rijkdom en sociale bewogenheid binnen mijn familie zich haast onvermijdelijk heeft gemanifesteerd in mijn eigen denken en leven. Men kan algemeen stellen dat mijn familie kan getypeerd worden als hoofdzakelijk een intellectuele middenklasse, gevormd door de koloniale en postkoloniale instituties op het Indische subcontinent. De overheersing en erfenis van de Britse koloniale macht heeft een enorme invloed uitgeoefend op de levensloop van tal van mijn familieleden.

Kan u een schets geven van de levensloop van uw familieleden?

Mijn paternale grootvader, Baini Prashad, kwam uit een familie van Indische overheidsambtenaren. De Britse kolonisatie kende een vorm van doordacht pragmatische overheersing om agrarische grondstoffen en spotgoedkope arbeidskracht in te zetten voor haar kapitaalaccumulatie. India kan qua oppervlakte en bevolking gigantisch genoemd worden. De centrale greep op het land kon dus niet bewerkstelligd worden zonder de hulp van lokale aristocratische elites, bestuurslieden en militaire ordebewakers. Er waren gewoonweg veel te weinig Britten voorhanden om de agrarische exploitatie, handelsnetwerken en fiscale extractie op poten te zetten en te handhaven. Vanaf eind negentiende eeuw steeg dan ook de vraag naar opgeleide Indiërs die konden worden ingezet in de provinciale en lokale besturen om de stromen van rijkdom te kanaliseren naar Europa. Getalenteerde adolescenten in grootstedelijke scholen werden gerekruteerd en verder opgeleid binnen de koloniale instituties om administratief werk uit te voeren.

Mijn overgrootvader maakte deel uit van die eerste generatie westers geschoolde ambtenaren. Hij was een gedecoreerde administratieve beambte, tewerkgesteld in de provincie Punjab, gelokaliseerd in het noordwesten van het toenmalige Indische rijk. Hij kon op basis van zijn status en inkomen mijn grootvader sturen naar het Government College in de provinciale hoofdstad Lahore. Dit instituut voor hoger onderwijs gaf een brede vorming aan zijn studenten: natuurwetenschappen, filosofie, wiskunde en literatuur. De docenten kwamen uit de meest prestigieuze Britse universiteiten. Studenten vervolgden hun studies aan een van de Indische of Britse universiteiten om zich veelal te specialiseren in de rechtswetenschappen, politieke wetenschappen, natuurwetenschappen, etc. Deze eerste generatie van hoogopgeleide mannen beoefende nadien vaak een overheidsfunctie. 

Mijn grootvader specialiseerde zich als zoöloog en in 1918 behaalde hij als eerste Indiër een doctoraatstitel aan de universiteit van Lahore. Tijdens de jaren 1920 vervolgde hij zijn onderzoek naar ongewervelde diersoorten en vissen aan de universiteit van Edinburgh. In 1934 werd hij, tevens als eerste Indiër, aangesteld als directeur van het Zoological Survey of India. Mijn grootvader was dus een van de grondleggers van het wetenschappelijk bestel van het Indische subcontinent. In 1947 werd India een onafhankelijke en soevereine natie, en mijn grootvader werd onmiddellijk gevraagd door de kersverse regering om te zetelen in de hoogste regionen van de nieuwe administratie. Hij was nooit actief geweest in politieke bewegingen, maar hij kon wel worden omschreven als een progressief liberaal die de onafhankelijkheid van zijn land toejuichte. In zijn vrije tijd toonde hij ook een voorliefde voor de geschiedenis van India. Hij zou langdurig samenwerken met Henry Beveridge, die decennialang staatsdienaar te Calcutta was. Beveridge behoorde tot de minderheid van de liberale strekking, geïnspireerd door Adam Smith, binnen de centrale administratie. Ze konden elkaar intellectueel ten zeerste appreciëren, en als autodidactische historici besloten zij de Perzische Maāt̲h̲ir-ul-Umarā (1556–1780) te vertalen naar het Engels. Dit waren biografische geschriften van de Indische bestuursnotabelen die de Timoeridische dynastie dienden.

Hebben uw ouders ook een belangrijke rol gespeeld in uw intellectuele vorming? En welke impact had de vorming van India als een natiestaat op uw familie? 

Mijn vader, Pran Prashad, werd dus opgevoed in een familiale omgeving waar de nadruk werd gelegd op kennis en nieuwsgierigheid. Hij groeide op tijdens de woelige nadagen van het Britse kolonialisme, dat uiteindelijk in elkaar stortte door de impact van de Tweede Wereldoorlog. Aan het einde van de negentiende eeuw zou een zelfbewuste intellectuele middenklasse zich politiek organiseren om meer inspraak te verkrijgen in het koloniale systeem. De meeste kaderleden kwamen uit hoogopgeleide grootstedelijke middens die afstudeerden aan Indische universiteiten. Sommigen vervolgden hun opleiding aan Britse universiteiten, waar ze in contact kwamen met academici die een rijke geschiedenis aan emancipatorische ideeën meegaven. Zij verenigden zich voornamelijk in het Indian National Congress, beter gekend als de Congrespartij. Deze partij was allesbehalve monolithisch te noemen. Progressieve liberalen voerden toen de boventoon. Zij konden professioneel gevonden worden in de vrije beroepen (medici, ingenieurs), het handelswezen, het journalistieke milieu, het hoger onderwijs, de ambtenarij en politieke kringen. Pas vanaf de tussenoorlogse periode konden zij de massa aan arbeiders en boeren betrekken in een ideologisch proces dat ook een uitgesproken eis tot soevereine zelfbeschikking uitdroeg. De groei van de Indische nationalistische beweging was dus een constante in mijn vaders leven.

Mijn vader ondervond de geboorteweeën van de jonge natie aan de lijve. In 1947 werd India niet alleen onafhankelijk, maar werd het rijk ook opgesplitst in drie delen. Hij groeide net zoals mijn grootvader op in Lahore. Dat behoort nu tot het Pakistaanse gedeelte van de provincie Punjab. De Britse administratie, opnieuw zeer pragmatisch in hun wrede manier van besturen, had de etnische en vooral religieuze verschillen tussen hindoes en moslims op de spits gedreven om het verzet van de nationalistische beweging te kunnen breken. Dit maakte dat in 1906 de Moslimliga, hoewel seculier van aard, werd gesticht om specifiek de politieke rechten van de moslimbevolking te vertegenwoordigen. Ik moet wel vermelden dat tot de jaren 1930 de meeste leden van beide partijen uitdrukkelijk waren gekant tegen religieuze conflicten. 

De Britse strategie van verdeel en heers kwam terug als een boemerang tijdens de onafhankelijkheidsdagen. Het rijk werd plotsklaps opgedeeld op basis van religieuze meerderheden. Dit gold ook voor de provincie Punjab. Het westelijke deel behoorde plots tot Pakistan, terwijl het oostelijke deel onderdeel uitmaakte van India. Een gelijkaardige splitsing werd doorgevoerd in Bengalen, waar het oostelijke deel Pakistaans werd en het westelijke deel de Indische vlag hees. Kortom, het westers idee van homogene natiestaten werd radicaal uitgevoerd. Eeuwenlang bestond er op het Indische subcontinent religieus pluralisme. Gemeenschappen leefden samen in gedeelde regio’s en steden. Op enkele maanden tijd werden veertien miljoen mensen verplicht om hun geboorteplaats te verlaten. De grootste migratiestroom uit de moderne geschiedenis ging gepaard met veel leed en bloedvergieten. Een miljoen mensen verloren hun leven tijdens de woelige zomermaanden van 1947. Mijn vader en zijn gehele familie behoorden dus ook tot die grote groep ontheemde mensen. Ze vonden een nieuw thuis in West-Bengalen. 

Hoe verging het lot van uw vader sindsdien?

De combinatie van een wereldoorlog en daaropvolgende politieke chaos maakte dat mijn vader nooit de kans kreeg om ook hogere studies aan te vatten. In 1948 trouwde hij met mijn moeder Soni, die ook moest vluchten uit Punjab. Hij begon aan zijn eigen unieke reis doorheen een samenleving die met rasse schreden veranderde. Initieel vond hij werk bij een Brits-Indisch bedrijf (Bird & Company) in Calcutta dat zich specialiseerde in dienstverlening aan de scheepvaart, de mijnbouw en de textielnijverheid. Hij zou zeer snel een leidinggevende functie uitoefenen, en enkele jaren nadien verbleef hij samen met zijn vrouw in Japan om daar het industriële mirakel te kunnen aanschouwen. Bij zijn thuiskomst zou hij afwisselend voor dit bedrijf werken en in dienst treden bij de overheidsadministratie die instond voor de ontwikkeling van de Indische mijnbouw. 

Mijn vader zou zich tweemaal kandidaat stellen om parlementair verkozen te worden, maar tevergeefs. Mijn vader was geen socialist in hart en nieren. Hij was geneigd om het Japanse ontwikkelingsmodel te volgen, waarin een interveniërende staat de private economische activiteiten coördineerde. Hij was wel ten stelligste overtuigd van het feit dat economische vooruitgang in India werd bepaald door twee zaken. Enerzijds moest er een landherverdeling doorgevoerd worden. Een kleine groep dynastieke grootgrondbezitters bezat nog steeds het leeuwendeel van alle landbouwgronden. Een groot deel van de Indische bevolking bestond nog steeds uit straatarme pachters die zeer intensief werden uitgebuit door deze agrarische elite. Deze uitbuiting kon pas stoppen wanneer deze keuterboertjes tenminste een eigen stukje land kregen om te kunnen overleven. Anderzijds had het Brits kolonialisme de Indische textielindustrie grondig kapotgemaakt. De Britse administratie verhinderde op actieve wijze de productie van zeer hoogwaardig Indische textiel. Deze productie werd voornamelijk gedreven door de agrarische huisnijverheid. Families konden hun inkomen aanvullen door af en toe een afgewerkt product te verkopen aan een handelaar. De industrialisatie via het fabriekssysteem kwam nooit echt van de grond en India werd een exportland van agrarische grondstoffen om de weefgetouwen in Europa te bevoorraden. Mijn vader was er dan ook ten stelligste van overtuigd dat een doorgedreven industrialisatie India opnieuw een voorname plaats in de wereldeconomie kon bezorgen.

Waren sommige van uw familieleden ook actief in linkse partijen of bewegingen?

Zeer zeker. Een vergeten geschiedenis is dat socialisten en marxisten een cruciale rol hebben gespeeld in de onafhankelijkheidsbeweging. De kaders bezaten ongeveer dezelfde professionele achtergrond als de Congrespartij, maar zij hadden veel meer contacten met boeren en arbeiders. Een maternale tante, Brinda Karat, is momenteel een van de leidende figuren van de Communist Party of India. Dit geldt evenzeer voor mijn oom, Prakash Karat, die een tijdlang algemeen secretaris was van de partij. Haar vader, Suraj Lal Das, had tevens moeten vluchten vanuit Punjab naar West-Bengalen. Haar moeder, Oshrukona Mitra, was geboren en getogen in West-Bengalen. Het was een “verboden” huwelijk, omdat de familie van mijn groottante uiterst conservatief was en weigerde iemand uit een lagere kaste te accepteren als een geschikte huwelijkskandidaat. Deze kleine geschiedenis maakte dat de ouders van mijn tante uiterst progressief en seculier waren. 

Mijn tante kreeg een uitstekende opleiding aan zowel prestigieuze Britse als Indische onderwijsinstellingen. Zij werkte een tijd in Londen, waar ze in contact kwam met marxistische intellectuelen. Het was ook de tijd van de anti-Vietnam-protesten. Dit alles maakte dat mijn tante zich stortte op de vraagstelling hoe het idee van marxistische emancipatie kon worden hertaald in een Indische context. In de jaren 1970 zou ze actief worden als kaderlid van de communistische partij. Zij heeft zich sindsdien steeds ingezet voor de sociale rechten van arbeidsters in de textielindustrie. Zij is steeds een grote inspiratiebron voor mijn eigen intellectuele en politieke ontwikkeling geweest. 

Uw politieke familieachtergrond verklaart hoogstwaarschijnlijk waarom u als historicus steeds poogt te achterhalen wat de dynamiek is tussen de kapitalistische structuren van dominantie en massabewegingen die zich proberen te emanciperen. Laten we starten met de vormen van kapitalistische dominantie. Een vroeg werk viel mij specifiek op: Fat Cats & Running Dogs: The Enron Stage of Capitalism. Het analyseert de politiek-economische geschiedenis van het Amerikaanse neoliberalisme met als casus de energiegigant Enron.

Ik heb dit boek steeds beschouwd als een van mijn intellectuele prestaties. Ik had het geschreven in een kort tijdsbestek van enkele maanden. Een goede vriend, een ingenieur, hielp mij enorm om een grip te krijgen op het onderwerp. De directe aanleiding was dat begin jaren 1990 het monopoliebedrijf wist toegang te verkrijgen tot de Indische markt. De industrialisatie van het subcontinent maakte dat bedrijven steeds meer energiebevoorrading nodig hadden. Enron bood vloeibaar gemaakt aardgas aan. Dit voorstel was opmerkelijk omdat van alle mogelijke energiebronnen dit net het meest inefficiënt was. Dat kan worden vastgesteld volgens verschillende categorieën. Ten eerste is het zelf zeer energie-intensief om dit gas liquide te maken. Ten tweede, en daaruit volgend, kent dit gas een zeer hoge productiekost, wat maakt dat dit ook wordt doorgerekend aan de consument. Ten derde is dit productieproces het meest schadelijk in ecologische termen. Toch besloot de centrale Indische overheid in zee te gaan met Enron, wat niet bepaald ten goede kwam aan de winstmarges van lokale bedrijven. Ik zou dit fenomeen nu ook niet bepaald nieuw noemen. De Europese Unie heeft ook op “mysterieuze” wijze besloten om dit Amerikaanse gas en masse in te voeren. De hoge kosten die het gebruik van deze energiebron met zich meebrengen maken dat de Europese industrie kreunt onder krimpende winstmarges.

Wat maakte dat de Indische overheid toch besloot Enron toe te laten als energieleverancier?

Zeer kort en bondig uitgelegd: connecties met de politieke dynastieën van het land, omkoping van politici en administratoren en politieke druk vanuit de lobbykamers in Washington. India is sinds haar ontstaan een institutioneel complex land. Het wordt bestuurd volgens federale principes. Het centrale niveau heeft veel beslissingsrecht over welke energiebedrijven het zal subsidiëren om energie te produceren. Enron had bitter weinig interesse om een betrouwbare producent te zijn. Maar de aandeelhouders waren wel verzot op die subsidies om de aandelenkoers opwaarts te stuwen. Het bedrijf heeft dan ook rechtstreeks de Amerikaanse diplomatieke kanalen gebruikt om die subsidies te verkrijgen. India heeft de fout gemaakt om haar energieproductie niet in publieke handen te houden. Het energieverbruik blijft een democratisch basisrecht, en dit staat loodrecht op de speculatieve motieven van Wall Street. De kwestie van infrastructuur is echter voornamelijk een materie van de federale deelstaten. Zij kunnen een regionaal plan uitwerken voor de distributie van de geproduceerde energie. De deelstaten die voornamelijk de algemene belangen van de eindgebruikers in acht namen, en dus niet gewonnen waren om in zee te gaan met Enron, kregen minder financiële steun vanuit de centrale administratie. Dit is een directe vorm van economische dwang. 

Een gelijkaardig verhaal kan worden gevonden in de Europese Unie. In Europa kunnen er alternatieven bestaan. Vooraleerst kan er een aanvoer zijn van goedkoop Russisch gas. Dit zorgt voor de nodige politieke discussies. Maar Europa heeft eenvoudigweg te weinig eigen voorraden aan fossiele energiebronnen om de industrie en distributie gaande te houden. Evengoed kon meer worden ingezet op hernieuwbare energiebronnen. De plannen bestonden, een groot transitieplan, maar werden niet doorgezet omwille van Amerikaanse inmenging en het verbijsterende conservatisme van de politieke elites in bepaalde lidstaten. 

De Indische casus werd evengoed bepaald door bepaalde schimmige politieke krachten op het internationale toneel. India wilde een akkoord sluiten met Iran en Pakistan om een peace pipeline aan te leggen, wat zou zorgen voor een verzekerde aanvoer van gas. De verenigde politieke en economische krachten in de VS hebben dit project actief gesaboteerd. Zij vreesden voor een regionale politieke dynamiek die zich meer afstandelijk zou opstellen ten opzichte van de Amerikaanse hegemonie. Het gas kwam uit Iran, wat maakt dat Amerikaanse monopolies geen surplus winsten konden boeken via directe controle over distributie en tariefzetting. India heeft zich dus onder Amerikaanse druk teruggetrokken uit het akkoord.

Ik moet vermelden dat een dergelijke vorm van inmenging en sabotage ook reeds jaren geleden gebeurde op het Europese continent. Italië had namelijk ook zeer concrete plannen om een pijpleiding naar Libië te financieren. De NAVO besloot dan maar om het land plat te bombarderen uit naam van de mensenrechten.

Nucleaire energie kan ook een optie zijn om niet blindelings in de pas van de Amerikaanse lobby’s te lopen?

Dat kan. Europa en India hebben meer dan genoeg uitmuntende wetenschappers en ingenieurs om een nieuwe generatie kerncentrales te bouwen. Maar het is eveneens zeer twijfelachtig of dit plots zal gebeuren. De verklaring moet gezocht worden in verschillende factoren. Ten eerste vereist nucleaire technologie de meest kapitaalintensieve investeringen. De fixed capital costs zijn gigantisch in vergelijking met de alternatieven. Ten tweede is nucleaire energie ook niet bepaald milieuvriendelijk. De ontginning is bijzonder vervuilend en we weten nog steeds niet hoe het afval op een efficiënte manier te verwerken. Ten derde denken Europese politici steeds op kortere termijnen uit individueel lijfsbehoud. Nucleaire energie vergt een planmatige aanpak die inspeelt op analyses die decennia omvatten. Uiteindelijk keren we steeds terug naar hernieuwbare bronnen zoals zonne-energie. Ondanks alle strategische politieke marketing moet de Europese Unie nog steeds een grote inhaalbeweging maken ten opzichte van China. De Chinese overheid begreep zeer snel dat het fossiele tijdperk niet eeuwig zal bestaan. Chinese bedrijven zijn een absolute marktleider in de productie van deze technologie en het land heeft een razendsnelle en gestuurde energietransitie ondergaan.

China is absoluut geen lichtend voorbeeld om de wereld een meer democratische koerswijziging te laten nemen. Maar ter plaatse kan op tal van gebieden worden vastgesteld dat het land zich pijlsnel aan het moderniseren is. De grootstedelijke infrastructuur op het gebied van onderwijs, transport, medische voorzieningen of digitale diensten heeft een voorsprong genomen op tal van Europese landen.

Ik geef frequent hoorcolleges in China, dus kan ik uw observaties alleen maar beamen. De voortdurende publieke investeringen in deze infrastructuur zorgen voor tal van economische effecten. Europa kan momenteel hopen op een stijging van de arbeidsproductiviteit in termen van anderhalf procent per jaar. Dit zijn de voorspellingen van de Europese Centrale Bank, die expliciet stelt dat dit de vooruitzichten zijn in een optimale macrocontext. Westerse economen voorspellen dat voor de komende jaren de arbeidsproductiviteit driemaal hoger zal liggen in China. Dit is de meest pessimistische voorspelling, wanneer het land te maken heeft met bepaalde Westerse handelsrestricties. Deze verhouding zegt zeer veel over de gebreken van het industriële beleid op het Europese continent.

Dit beleid heeft ook gevolgen op het vlak van wat bedrijfsleiders “human capital” noemen. Mijn studenten in Oost-Azië hebben ondanks een tijdelijke crisis een positieve kijk op de toekomst. Zij geloven dat de samenleving maakbaar is en dat economische opportuniteiten in het verschiet liggen. Mijn Westerse studenten delen deze visie totaal niet. Zij bereiden zich mentaal voor op harde tijden. Zij geloven totaal niet in een toekomstbeeld waarin hun levensomstandigheden beter zullen zijn dan die van de vorige generatie. Ik heb de indruk dat politici de urgentie van dit probleem niet vatten.

Het centrum van het economisch gebeuren is momenteel aan het verschuiven.

Dit is alvast wat alle economische aggregaten ons weten te vertellen. De toekomst ligt momenteel in Azië. Europa heeft het ontzettend moeilijk om deze evolutie te accepteren. Het grootste onopgeloste vraagstuk is hoe de Europese samenlevingen zich zullen positioneren binnen een gewijzigde internationale constellatie. Dat zou een van de grootste elementen van het publieke debat moeten zijn. Maar het politieke bestel wordt verzwolgen door een ontstellende vorm van navelstaren. Aangevuurd door nieuwrechts beweren zij dat migratie het grootste probleem vormt. Terwijl elk nuchter persoon kan vaststellen dat migratie een onvermijdbaar deel uitmaakt van onze moderne wereld. De dominante politieke stemmen hebben zichzelf klem gezet door te blijven investeren in dit vertoog.

Dit fenomeen is allerminst nieuw. Reeds in de jaren 1980 zag je een eerste golf aan nieuwrechtse figuren die beweerden dat migranten geen deel konden uitmaken van “het volk”. Men zag een nieuwe ideologische constellatie opduiken die een cultureel conservatieve agenda met zich meedroeg. Een agenda die gekant was tegen de politieke constructie van een horizontale democratie, de gelijkberechtiging van minderheden of de sociale verworvenheden van de werkende klasse. Dat cultureel conservatisme was dus een ideologische hefboom om een neoliberale contrarevolutie te kunnen doorvoeren. Vanuit dit langetermijnperspectief moeten we deze huidige politieke en ideologische constellaties eerder begrijpen als een continuïteit dan een plotse verandering. De “klassieke” partijen hebben allemaal de combinatie tussen het cultureel conservatisme en het neoliberale beleid geprezen als common sense. Het Trumpisme valt op omdat het doordesemd is met een waanzin die onder hoogspanning staat. Maar Trumps autoritair marktdenken kwam niet bepaald uit de lucht vallen.   

Dit cultureel conservatisme heeft ook de intellectuele infrastructuur van het Westen in grote mate aangetast. Het is ronduit choquerend om momenteel te observeren dat Amerikaanse en Europese samenlevingen dedain voor het “intellectualisme” cultiveren. Het moderne Westen werd vroeger bewogen tot verandering omdat intellectuele stemmen steeds in staat waren om de eigen cultuur kritisch onder het vergrootglas te houden. Politici en mainstream opiniemakers stellen dit gekoesterd outsider-perspectief onder chauvinistische verdenking: eenieder die zich niet wil conformeren aan een imaginaire homogene samenleving krijgt meer en meer te maken met repressietactieken. Het laatste decennium hebben “klassieke” partijen zich een agenda van populistisch en anti-intellectueel tribalisme toegeëigend. Wanneer het beleid op actieve wijze de algemene vorming van de geest wil verhinderen, dan moet men ook niet verwonderd zijn over de vaststelling dat pakweg het onderwijs achteruit boert of dat de kwaliteitspers aan het verdwijnen is.       

Het neoliberalisme is dus niet uitsluitend een economisch probleem. Het is een alomvattend sociaal gegeven.

Inderdaad. Ik wil even terugkeren naar het fenomeen van Enron om deze algemene staat van de Westerse samenlevingen beter te kunnen duiden. Het is geen toeval dat dit bedrijf medio jaren 1980 werd opgericht. Vooraleerst kon het zich laven aan de eindeloze fictieve kapitaalstromen afkomstig uit de gedereguleerde financiële markten. De Amerikaanse overheid had ook de regelgeving wat betreft boekhoudkundige constructies danig versoepeld. En we moeten ook rekening houden met het belang van een gewijzigde internationale orde. Tijdens de jaren 1980 kwamen tal van armere landen in zwaar financieel onweer terecht. Tijdens de jaren 1970 hadden zij aan zeer voordelige voorwaarden geleend bij commerciële banken. Deze banken bezaten gigantische reserves aan liquide middelen, maar de gebruikelijke Westerse industriële vraag naar leningen om te investeren bleef uit. Dus begonnen deze banken op agressieve wijze het Zuiden te overtuigen om leningen aan te gaan. Begin jaren 1980 verdrievoudigde de rentevoet, wat voor het Zuiden leidde tot een onverwachte rentesneeuwbal. Alle liquiditeiten uit die regio’s werden opnieuw naar Wall Street gekanaliseerd. Op Wall Street konden de banken nieuwe financiële instrumenten creëren: noodleningen met hogere kosten om de aangegane leningen te kunnen aflossen. Dit gebeurde gelijktijdig met een wijziging van het Amerikaanse overheidsbeleid om de finale tussenschotten tussen commercieel bankieren en transacties op de kapitaalmarkten (investment banking) te verwijderen. Dit leidde tot de dominantie van de financiële markten over de wereldeconomie, waarbij de effectenhandel de boventoon voerde. De schuldpapieren van arme landen werden in de effectenhandel plots herverpakt tot speculatieve derivaten, wat de rente-inkomsten nog meer deed stijgen. Voor de schuldenaars was dit catastrofaal: de industrialisering stortte in elkaar en alle publieke middelen werden versluisd naar de financiële markten.

We kunnen stellen dat deze evoluties onmiddellijk hebben geleid tot een nieuwe golf aan neo-imperialistische inmenging in het Zuiden. De Amerikaanse staat oefende haar politieke druk uit om de markten in het Zuiden open te breken voor de belangen van industriële monopolies, institutionele beleggers en grootbanken. De schuldenberg was een handige manier om dit te bewerkstelligen. Twee internationale organen werden ingezet om de Amerikaanse agenda uit te voeren. Enerzijds het Internationaal Monetair Fonds (IMF) dat onder het mom van “monetaire hervormingen” de fiscale en monetaire soevereiniteit van het Zuiden ondermijnde. De schuldenaars gaven hun soevereiniteit op in ruil voor IMF-leningen. De leningen waren onderdeel van een pakket aan “structural adjustment programs” die het lokale beleid (rentevoet, publieke schuldpapieren, belastingen, etc.) stroomlijnden met de winstdoelstellingen van de financiële en industriële monopolies. Anderzijds was er de Wereldbank die via “handelshervormingen” (GATS) de juridische autoriteit van nationale staten over hun handelsstromen ondergroef. De GATS creëerde een systeem van besloten juridische arbitrage tussen monopolies en overheden. Schuldenaars werden aangemaand om in te tekenen in dit systeem om niet afgestraft te worden door de financiële markten. De juridische principes van deze arbitrage waren op geen enkele manier gebaseerd op democratische representatie of transparantie. De ideologie van de Amerikaanse financiële markten bepaalde de bindende juridische spelregels: een vergaande privatisering van de publieke sector onder het mom van “marktcompetitiviteit”. Voedselbedeling, watervoorzieningen, stroomverschaffing, pensioenverzekeringen, publiek transport, zorgsector en andere sociale voorzieningen moesten totaal uitgekleed worden om in handen te komen van enkele monopolies. Zij verkregen deze publieke rijkdommen aan dumpingprijzen die ver onder de marktwaarde liggen. De bedrijfsstrategie van deze monopolies is eenvoudig: minimale investeringen, maximale rente. De rente geëxtraheerd uit die publieke rijkdommen wordt op zijn beurt getransformeerd tot speculatieve beleggingsinstrumenten om de financiële markten verder te bevoorraden. Wat we zien, is dus een kannibalisatie van het totale sociale weefsel in het Zuiden.

Enron kon pas overheden in het Zuiden overtuigen om hun energie-infrastructuur uit te verkopen door een samenspel van “legalistische” middelen (Wereldbank, IMF), corruptie (omkoping van lokale politieke leiders en hoge ambtenarij) en politieke druk door de Amerikaanse diplomatieke organen. Indien een land weigerde zich in te schrijven in deze Amerikaanse hegemonie, was een militaire interventie natuurlijk ook altijd een optie. De lokale leiders die zich scharen achter het Amerikaanse programma, krijgen op hun beurt militaire steun vanuit Washington om eventuele rebellie de kop in te drukken. Enron kon evengoed rekenen op die militaire steun om de markten verder “open te stellen”. De belangrijkste aandeelhouders van Enron waren niet toevallig degenen die de neoconservatieve flank van de Republikeinen rijkelijk sponsorden en “advies” gaven over welke stafmedewerkers aan te werven. Het cultureel conservatisme was dan ook een ideologische marketingmachine die bewust werd gefabriceerd door die kringen om politiek de overhand te krijgen. De meer “gematigde” politieke stromingen gingen geleidelijk mee in bad, waarbij het gospel van de globalisering en vrijhandel een progressief randje moest geven aan die economische omwenteling.

De praktijken van een bedrijf zoals Enron stopten niet aan de grenzen van het Zuiden. Evengoed paste deze gigant dezelfde tactieken toe in Californië, waarbij zijn houdgreep over de energievoorziening leidde tot torenhoge consumptieprijzen, frequente stroomonderbrekingen, de ineenstorting van de infrastructuur en een structureel gat in de begroting. De kannibalisatie van publieke rijkdommen om speculatieve beleggers tegemoet te komen heeft zich sindsdien doorgezet in alle Westerse landen. In alle landen zien we de privatisering van sociale voorzieningen en de vermarkting van het publieke domein, waarbij politieke elites nog steeds proberen het publiek te overtuigen dat dit een recept voor efficiëntie en groei is. Het beleid om pakweg de privatisering van verzorgingscentra aan te moedigen of de publieke ruimte ter beschikking te stellen van bouwpromotoren dient uitsluitend de particuliere belangen van de rijkste toplaag. De rest van de bevolking zal alleen maar inboeten aan welvaart. Ook het geweld waarmee het Zuiden werd onderdrukt, wordt nu geïmplementeerd in westerse staten. Ook op dit vlak kwam Trump niet uit de lucht vallen.