
De manier waarop lonen tot stand komen, vormt een fundamentele pijler van sociale rechtvaardigheid. In een samenleving waarin kapitaal en arbeid ongelijk verdeeld zijn, worden werknemers vaak gedwongen om hun arbeidskracht te verkopen onder voorwaarden die niet hun inzet, maar de machtsverhoudingen op de arbeidsmarkt weerspiegelen. Historisch leidde dit tot sociale concurrentie, waarbij arbeiders tegen elkaar moesten opbieden om bestaanszekerheid te garanderen, terwijl kapitalisten hun positie systematisch versterkten. Vrije collectieve loononderhandelingen waren bedoeld om deze machtsongelijkheid te corrigeren. Vandaag blijkt dat de regering dit recht steeds vaker ondermijnt, door lonen te blokkeren en sociale rechten af te bouwen. De Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) heeft deze inbreuken vastgesteld en de Belgische regering reeds veroordeeld, wat de juridische en morele noodzaak van collectieve onderhandelingen onderstreept. Vrije collectieve loononderhandelingen zijn daarmee niet alleen een middel tegen uitbuiting, maar ook een essentieel instrument om sociale tegenmacht en economische gelijkheid te waarborgen en het recht van werknemers te beschermen tegen willekeurige overheidsinmenging.

Marc Rigaux is lid van de MF-afdeling van de Universiteit Antwerpen. Hij is emeritus hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen, waar hij tot 2015 arbeidsrecht doceerde en de onderzoeksgroep “Sociale concurrentie en recht” leidde. Hij doceerde tot 2002 arbeidsrecht aan de Vrije Universiteit Brussel, waar hij in 2003 de binnenlandse Francqui-leerstoel bekleedde. Hij was gasthoogleraar aan de
universiteiten van Toulouse, Straatsburg en Johannesburg, en hij werkte nauw samen met de Internationale Arbeidsorganisatie en leidde verschillende Europese samenwerkingsplatforms. Tussen 1994 en 1999 zetelde hij als Raadsheer sociale zaken in het Arbeidshof te Antwerpen.
Van 2002 tot 2017 was hij
Assessor bij de Afdeling
wetgeving van de Raad van
State.
Sociale concurrentie
De liberaal-kapitalistische driehoek van de uitbuiting bestaat uit volgende elementen: de verkoopwaring van de arbeid, de individualisering van de arbeidsverhoudingen en de sociale concurrentie. Deze elementen hebben de kapitalistische productieverhoudingen sinds het begin van de negentiende eeuw tot stand gebracht. De dominantie van het kapitaal op de arbeid maakte dat enkel de kapitaalbezitters beslisten over de aanwending van de arbeid. Arbeid werd ontmenselijkt. De arbeiders zagen zichzelf veroordeeld om hun arbeidskracht te verkopen op de arbeidsmarkt tegen de prijs van het moment, die vooral werd bepaald door de graad van sociale concurrentie. Sociale concurrentie doelt dus op de wedijver tussen de arbeiders, om bestaanszekerheid te verzekeren, genoodzaakt waren in concurrentie te treden met andere lotgenoten. Arbeiders hadden hierbij niet de minste greep op de marktverhoudingen en de daaruit voortvloeiende sociale wedijver. Kapitalisten konden wel de markt naar hun hand zetten door middel van onderlinge afspraken, wat de concurrentie op de externe arbeidsmarkt beïnvloedde in hun voordeel. Kapitaalbezitters hadden dus een ijzeren greep zowel op de externe als op de interne arbeidsmarkt (de onderneming).
Vanuit het perspectief van de arbeiders werd de nieuwe sociale combinatie tussen het fabriekssysteem en de ongelijke marktverhoudingen gelijkgesteld aan een autocratie of dictatuur. Deze sociale omstandigheden lieten een salariaat ontstaan. Het liberale burgerlijk recht schermde dit salariaat niet af van de meest zware vormen van economische uitbuiting. De grondwettelijke garanties van formele individuele vrijheid en gelijkheid kwamen in werkelijkheid neer op de precarisering van een grote groep verpauperde arbeiders. De sociale concurrentie degradeerde de arbeider-burger tot koopwaar. De arbeidsrelaties werden door het vigerende burgerlijk recht zeer individueel gehouden. De sociale tegenstelling tussen kapitaal en arbeid is in haar naakte vorm ontzettend ongelijk. De kapitalist kon ongelimiteerd de lonen, vergoedingen, arbeidsduur, vrije dagen, en duurtijd van de aanwerving per arbeider bepalen. En hij kon ook deze werkomstandigheden willekeurig wijzigen om arbeiders tegen elkaar uit te spelen. De vorming van een georganiseerde tegenmacht was een absolute noodzaak om dit systeem te corrigeren.
Een geschiedenis van sociale concurrentie en syndicale vrijheid
Reeds in de eerste helft van de negentiende eeuw verenigden arbeiders zich in collectieve coalities om deze sociale concurrentie af te remmen, hoewel de staat haar betrachtingen poogde af te remmen door het inzetten van zowel het privaat- als strafrecht. Het primaire doel van deze coalities was steeds om syndicale vrijheid af te dwingen, en deze kon alleen tot stand worden gebracht door zeer verschillende vormen van sociale actie op internationaal niveau. De sociale tegenmacht ontwikkelde zowel een syndicale, mutualistische als politieke vleugel. Haar principe van solidariteit stond dus haaks op de isolerende werking van de sociale concurrentie. Tijdens de laatste decennia van de negentiende eeuw kwamen de eerste vormen van sociale wetgeving tot stand, wat ook gepaard ging met de eis tot collectieve loononderhandelingen. Altijd situeerden deze collectieve onderhandelingen zich op het ondernemingsniveau. En vaak ging het slechts om een categorie van werknemers binnen de onderneming. Niet zelden werden deze akkoorden pas gemaakt na een staking. Vrij kunnen onderhandelen over lonen was eigenlijk vanzelfsprekend. Een arbeider had weinig in de pap te brokken over zijn arbeidsvoorwaarden. Maar hij wilde tenminste het recht opeisen om als betrokken partij te onderhandelen over de prijszetting van zijn verkochte arbeidskracht.
Tijdens de nasleep van de Grote Oorlog brak het principe van vrije collectieve loononderhandelingen door, hoewel gedeeltelijk en zeer geleidelijk, om de prijs van arbeidskracht te bedingen en vast te leggen. Dit principe fungeerde als een juridisch en economisch breekijzer om de sociale concurrentie te beteugelen. De groei van het aantal gesyndiceerde werknemers tijdens het interbellum zou verder de ongelijke machtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal corrigeren. Meer en meer ondernemers, beïnvloed door het fordistisch managementsysteem, waren ook gewonnen voor een standaardisering en uniformisering van loon- en arbeidsvoorwaarden. Ook werd de basis gelegd voor een systematische uitbouw van dialoog tussen vakbonden en kapitalisten op bedrijfstakniveau.
Tijdens de vroege naoorlogse periode komt de sociale welvaartstaat tot stand, waarbij de verankering van sectorale sociale dialoog de hoeksteen vormt. De staat ontwikkelt een vangnet van sociale rechten voor zijn arbeider-burgers. Deze sociale rechten zullen juridisch beschouwd worden als grondrechten voor elke burger. Zo erkennen diverse nationale, Europese en internationale bronnen het recht op vrije collectieve onderhandelingen. In dezelfde periode komen er naast de sectorale loonakkoorden zelfs vormen van gewaarborgde interprofessionele minimumlonen tot stand. De sociale zekerheid – ontstaan uit de schoot van de vroege arbeidersbeweging – werd paritair beheerd ten voordele van alle burgers.
Dit gecorrigeerd kapitalisme ontstond uitsluitend door de historische samenloop van gunstige sociale evoluties. Vooreerst was de organisatiemacht van de vakbonden een onontbeerlijke motor van sociale vooruitgang. Zij wogen zeer sterk op de sociale en economische machtsverhoudingen op nationaal niveau. De politieke besluitvorming moest wel de georganiseerde arbeidersbeweging tegemoet treden om sociale correcties te blijven uitvoeren. Voorts mag ook de invloed van Roosevelts New Deal niet worden onderschat. Ook de ideologische factor van de Sovjet Unie beïnvloedde sterk de besluitvorming van de politieke elites: men voerde liever sociale correcties uit dan een revolutie te riskeren.
De sociale staat bleef niettemin een subsysteem van het kapitalisme en het liberaal parlementarisme. De autoritaire hiërarchie binnen de onderneming bleef goeddeels overeind en het winstprincipe bleef primeren. We kunnen dan beter spreken over een periode van getemperde sociale concurrentie. Sinds begin twintigste eeuw breidt het sociaal recht zich uit als juridische tak om burgers te beschermen in hun economische kwetsbaarheid. Maar sociale grondrechten, zoals het recht op arbeid of het recht op sociale zekerheid, zijn in regel zelden of nooit rechtstreeks afdwingbaar voor een rechter. In het beste geval erkent de rechtspraak ze als afweerrechten, die je als burger enkel kunt inroepen ter verdediging van je sociaal gekrenkte belangen.
Het aangestuurde neoliberalisme
Aan het eind van de jaren 1970 brak het neoliberalisme door. Eveneens ontstond deze economische doctrine en praktijk door een samenloop van negatieve omstandigheden. Een van de cruciale factoren van deze doorbraak wordt vaak onderbelicht: het Europees eenmakingproces. De Franse historica Aurélie Dianara Andry stelt in haar boek Social Europe, the Road Not Taken: The Left and European Integration in the Long 1970s dat de beleidswortels van de Europese Unie rechts-liberaal van aard zijn. De doctrinaire principes van het neoliberalisme werden geïmplementeerd in het ontluikend Europees economisch rechtstelsel. En die neoliberale regels dienen eveneens als cohesiemiddel tussen de verschillende lidstaten. De neoliberale verankering van de Unie wordt nog steeds zeer dwingend opgelegd door de Europese Commissie en het Europees Hof van Justitie. Samen met de Europese Centrale Bank hebben deze organen verregaande bevoegdheden om het sociale en economische beleid op nationaal niveau te bepalen.
Het EU-recht is bijzonder autoritair van aard. Het bestendigt de suprematie van het kapitaal doorheen de dominante marktstructuren. De vermarkting van de samenleving wordt systematisch opgelegd. Het gaat gepaard met de afbouw van de nationale staat als economische en sociale actor. Het idioom van de alleenzaligmakende concurrentie en de stelselmatige opoffering van de sociaal opgebouwde rechten, incluis een loonblokkering, worden dus de primaire vigerende rechtsbeginselen. De Europese politieke economische structuren wegen dus door als autocratische organen in handen van het kapitaal en hun lobby’s, die letterlijk wetsvoorstellen schrijven voor Commissie-leden. Tegelijkertijd wordt een niet echt volwaardige Europese volksvertegenwoordiging momenteel ingeperkt in haar beleidsinvloed door schimmige achterkamerpolitiek om Commissie-voorstellen goed te keuren.
De sociale verworvenheden binnen de nationale ruimte staan de afgelopen vijf decennia onder voortdurende druk van de EU-instellingen. Maar het staat buiten kijf dat de neoliberale doctrine evengoed is doordrongen in de nationale instellingen. De elites van de centrumpartijen zijn evengoed schuldig aan het ondermijnen van de sociale tegenmacht en het aanwakkeren van de sociale concurrentie.
De algemene beleidstrend binnen de context van een neoliberaal systeem in crisis is de pertinente weigering om fiscale hervormingen door te voeren die de versnellende economische ongelijkheid kunnen afremmen. We zien eerder dat politieke elites de werkende klasse op een vileine manier culpabiliseren voor haar eigen economische achteruitgang. Het vooroorlogse principe van sociale concurrentie wordt zonder begrenzing gestimuleerd en de afbouw van sociale rechten (lonen, pensioenen, uitkeringen) wordt ideologisch op een perverse manier ingezet als splijtzwam binnen de werkende klasse – in combinatie met etnocentrische heers-en-verdeel indoctrinatie.
De neoliberale dynamiek stuurt aan op de volledige ontmanteling van collectieve socialiserende structuren en de vermarkting van de sociale relaties tussen burgers. Dit kan tijdelijk in het voordeel uitdraaien van de belangen van economische monopolies. Maar de contouren van een algemene desintegratie van onze samenleving – zowel qua intellectuele, sociale als fysieke infrastructuur – worden steeds meer zichtbaar. In die mate dat een geopolitieke vijand zoals China de irrationaliteit van de westerse elites nauwelijks kan bevatten. De opdracht van de staat wordt tevens teruggeschroefd en ontmanteld. Haar rol als economische en sociale actor wordt overgedragen aan economische monopolies. De greep van de overheid reduceren ten voordele van het kapitaal is bijgevolg een kernelement van de neoliberale doctrine. De fiscale basis van de overheid wordt moedwillig kleiner gemaakt, waardoor telkens opnieuw wordt gesnoeid in de sociale uitgaven. Commerciële actoren nemen dan de afgestoten taken over.
Met als alibi een hoge nood aan vrijwaring van het concurrentievermogen van de ondernemingen wordt er de voorbije decennia dan ook gestaag loon ingeleverd, loon afgetopt en loon genormeerd. Het betreffen zogezegd slechts tijdelijke maatregelen. Maar inmiddels slepen deze al meer dan dertig jaar aan. De megawinsten van de ondernemingen en de fikse beloningen uitgekeerd aan de CEO’s en aandeelhouders steken schril af tegen de gestage waardevermindering van geblokkeerde lonen. Dit alles wordt juridisch mogelijk gemaakt door de onwettige verhindering van het genot op het recht op vrije collectieve loononderhandelingen. Dit zet de poort wijd open naar het creëren van een werkende klasse levend in de precariteit.
Vrije collectieve loononderhandelingen als elementair recht
We kunnen de neoliberale aansturing van de sociale concurrentie nog steeds juridisch stoppen. Binnen het geheel van afgeleide rechten om de syndicale vrijheid te waarborgen, neemt de bevoegdheid van georganiseerde werknemers om met werkgevers collectieve afspraken te maken over de vaststelling van lonen een bijzondere plaats in. Er bestaat geen andere juridische weg om het principe van isolerende sociale concurrentie te begrenzen. Collectief overleg bepaalt in hoge mate de marktwaarde van de verkochte arbeidskracht. De bevoorrechte afleiding van het recht op collectieve onderhandelingen als hoeksteen van de syndicale vrijheid kan worden gemaakt binnen het kader van alle rechtsbronnen die het principe van die vrijheid beschermen. Die bronnen zijn te vinden op tal van verschillende niveaus van regelgeving. Vooral de bronnen van de Internationale Arbeidsorganisatie vervullen hierbij een bijzondere rol.
Tijdens de vroege naoorlogse periode groeit doorheen de sociale dialoog een behoorlijk sluitend stelsel van loonvorming in de private sector. Vrije collectieve loononderhandelingen zorgden voor bindende collectieve afspraken op de drie niveaus van het paritair overleg. De kern van het systeem werd gevormd door de sectorale CAO’s, die in de paritaire comités werden afgesloten. Zij waren doorgaans algemeen verbindend verklaard bij Koninklijk Besluit. De onderneming maakte het tweede echelon van de onderhandelingen uit. Het stond ondernemingen vrij eigen loonakkoorden te sluiten. De sectorale overeenkomsten golden evenwel als minima. Ook aan de Nationale Arbeidsraad (NAR) werd onderhandelingsbevoegdheid toegekend. Via de NAR kwamen bij tijd en wijlen ook akkoorden tot stand die interprofessioneel gewaarborgde minimumlonen voorzagen. Het Belgische loonstelsel werd daarenboven gekenmerkt door de systematische binding van de bezoldigingen aan de evolutie van de index van de levensduurte. In de marge van de lonen werden vervolgens ook de sociale uitkeringen geïndexeerd.
Met de politieke doorbraak van het neoliberalisme komt het Belgische model van de sociale staat steeds meer onder vuur te liggen. Met als aanleiding een deficitaire begroting doet het rechtse vertoog steeds meer de ronde dat de staat boven zijn stand leeft. Dit zou vooral te wijten zijn aan een te hoge sociale factuur. Na enkele kleinere “corrigerende” ingrepen, met de vrijwaring van het concurrentievermogen van de Belgische bedrijven als alibi, wordt de gestage afbraak van de sociale staat pas echt ingezet na de millenniumwissel. De vrije loonvorming wordt vervangen door een van overheidswege opgelegde en toegepaste loonnorm. Het is nu de politieke elite die de marktwaarde van de verkochte arbeidskracht bepaalt. De loonstijgingen worden eerst gereduceerd tot symbolische gestes, om ze na enige tijd volledig te elimineren. Ook de automatische indexering wordt geviseerd. Het indexmechanisme wordt “gecorrigeerd”, en deze “correcties” beschermen de lonen nog nauwelijks tegen de economische ontwaarding door de levensduurte. De indexering van de sociale uitkeringen is eenzelfde lot beschoren.
De huidige politieke oligarchie negeert grotendeels het sociale verzet. De uitvoerende macht eigent zich tal van bevoegdheden toe om de arbeidsrechten te ondermijnen door middel van precarisering en flexibilisering van de lagere sociale klassen. Het genot van sociale zekerheidsrechten wordt schaamteloos teruggeschroefd. We kunnen objectief vaststellen dat de uitvoerende macht een illiberaal regime heeft geïnstalleerd, waarbij Binnenlandse Zaken ook plannen maakt om kritische sociale stemmen willekeurig te criminaliseren met mogelijke ongrondwettelijke wetsontwerpen.
De illiberale aanval op het sociaal recht is door de Commissie Syndicale Vrijheid van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) niet ontgaan. Reeds in 2022 oordeelde zij dat de uitvoerende macht haar boekje te buiten gaat wat betreft het loon- en indexeringsbeleid. Deze vaststelling wordt pas gemaakt na lange deliberatie door internationale deskundigen. Zij bezitten een mondiale juridische bevoegdheid om de toedracht van politiek onwettige handelingen vast te stellen wanneer het gaat om inbreuken op de syndicale vrijheid. De Belgische regering werd dus door het hoogste internationale orgaan veroordeeld voor haar onwettig beleid. En zij zal opnieuw veroordeeld worden voor de huidige maatregelen.
In Vlaanderen blijft het enigszins oorverdovend stil over deze veroordeling. De media heeft het nagelaten om dit te berichten. De regering weet dat deze veroordeling moeilijk rechtstreeks juridisch afdwingbaar is. Haar beleid bevindt zich dus in een juridisch grijze zone. In elk geval bindt het de uitvoerende macht op zijn minst politiek en moreel. Bovendien kan een dergelijke uitspraak steeds als toepassingscriterium worden ingebracht in de bepalingen van het EVRM. Bepalingen die wel rechtstreeks in rechte afdwingbaar zijn. Het is dus aan de syndicale organisaties om de regering via internationaal juridische weg onder druk te zetten. Specifiek het Europees Vakverbond speelt hierbij ook een belangrijke rol, vermits de problematiek rechtstreeks relevant is op het Europese niveau. Het is op dat niveau dat dergelijke excessen door de uitvoerende macht moeten worden ingeperkt.
Het vroegere Belgische stelsel van vrije collectieve loononderhandelingen, met inbegrip van een correcte loonindexering, dient onverkort terug ingevoerd te worden. Dit gebod geldt ook voor de indexering van de sociale uitkeringen. De werknemers in alle sectoren moeten aanspraak kunnen maken op consistente loonsverhogingen bij wijze van compensatie van de ten onrechte gederfde inkomens. Ondernemingen maken immers deel uit van een nationaal patrimonium, waardoor ze aan de natie plichtig zijn bij te dragen aan diens welvaart. Hetgeen inhoudt dat ze aan hun personeelsleden een salaris moeten uitkeren dat overeenstemt met hun bijdrage aan de creatie van de opbrengst van de onderneming. De feitelijke discriminatie waarvan de werknemers het slachtoffer werden, in schril contrast met de bezitters van passieve rijkdommen, is in deze dus van een hemeltergende onrechtvaardigheid.
| Nuttige bronnen | |
| Wat is de loonnorm? | https://werk.belgie.be/nl/themas/verloning/loonnorm |
| Het IAO over de loonnormwet | https://www.dewereldmorgen.be/artikel/2022/11/14/vakbonden-krijgen-gelijk-bom-onder-de-loonnormwet |
| Freedom of Association Committee (ILO), 400e rapport, te raadplegen via ilo.org/sites/default/files/wcmsp5/groups/public/@ed_norm/@relconf/documents/meetingdocument/wcms_860243.pdf, 40 e.v. | |
| Vrije loonsonderhandelingen: Vrije markt geldt overal behalve als het om lonen gaat? | https://apache.be/2022/06/21/vrije-markt-geldt-overal-behalve-als-om-lonen-gaat?check_logged_in=1 |
| Oxfam cijfers 2025 over de kloof tussen rijk en arm in de EU | https://oxfambelgie.be/het-vermogen-van-miljardairs-de-eu-stijgt-met-meer-dan-400-miljard-euro-de-eerste-helft-van-2025 |
| Standpunt ABVV – Samen kan het anders | https://www.accg.be/nl/campagnes/samen-kan-het-anders |