
Enkele weken geleden bezocht ik met vrienden een expositie van een jonge artiest die zij vagelijk kenden. In de kelder waarin de kunstwerken niet zonder het nodige undergroundgehalte worden tentoongespreid, raak ik reeds snel met enkele kennissen-van-de-tweede-graad aan de praat. Zo leer ik Loes kennen. Laten we even met Loes op pad gaan in het Vlaamse literatuurlandschap.

Nona De Dier is oud-voorzitter van de Gentse afdeling van de Jongsocialisten. Ze is jurist van opleiding en studeert momenteel
taal- en letterkunde aan de UGent.
Loes is een twintiger, wit, knap en groeide tijdens haar jeugd op in een stedelijke omgeving. Nu is ze “woordkunstenaar”. De belangrijkste thema’s in haar werk zijn naar eigen zeggen “female rage” en “een ideologie van radicale zachtheid”. Loes rookt graag zelfgerolde sigaretten en drinkt rode wijn, ze omschrijft zichzelf als activistisch (ik heb haar nog nooit op een betoging gezien). Toen ze voor het eerst een levensechte Rothko aanschouwde, “huilde ze als een kind”. Ik google haar profiel later op de avond. Loes schrijft over “voormoeders” en “huidhonger”. Loes’ vader blijkt bestuurslid in een belangrijke culturele organisatie te zijn. Ook Loes’ moeder prijkt op een Wikipedia-pagina. Een week na onze ontmoeting lees ik op Instagram dat Loes columns zal schrijven voor een bekende krant. Loes gaat een mooie toekomst tegemoet.
Je kent vast wel een Loes wanneer je afstudeert aan de humane wetenschappen (indien een jongen: een Bavo). Het zijn aantrekkelijke, in de “kunsten” opgeleide stedelingen die een carrière als “maker” ambiëren (de enige bevolkingsgroep die slam poetry ernstig neemt). Ze zijn in vrijwel alle gevallen afkomstig uit een welstellend milieu – dat maakt het sociaal aanvaardbaar dat ze er op die manier uitzien dat ze in een kledingcontainer verscheept kunnen worden. Jouw Loes ontvangt bonuspunten wanneer ze ook een voet (of deze van een familielid) tussen de deur van een belangrijke culturele organisatie krijgt, wat handig is om haar weg naar het “makerschap” te faciliteren. De Loes-trope leent zich dan ook uitstekend om het breder probleem van de Vlaamse culturele en literaire wereld in haar volle provincialistische glorie te schetsen.
1. Loes heeft een obscure stroom van passieve inkomsten
Tijdens elk gesprek is de olifant in de literaire kamer uiteraard de onderfinanciering van de sector. Geen enkele regering laat de kans voorbijgaan om te besparen op “verliesposten” die niet onmiddellijk omzetbare winst op een balans opleveren. De gevolgen zijn, zoals we weten, nefast. Doch, een aspect dat opiniestukken en analyseartikels vrijwel niet behandelen, is het belang om in dit dorre landschap te beschikken over diverse vormen van kapitaal, zoals socioloog Pierre Bourdieu het reeds treffend omschreef. Wat het economisch kapitaal betreft, zijn het immers vooral mensen met een uitgebreid safety net die het zich kunnen veroorloven een tijdlang zonder werkzekerheid te leven. Loes heeft dus waarschijnlijk een obscure bron van passieve inkomsten. Het is dan ook geen toeval dat statistieken ons weten te vertellen dat mensen uit hogere socio-economische klassen oververtegenwoordigd zijn in kunstopleidingen.
Daarnaast speelt vooral sociaal kapitaal – een netwerk – een rol: hoe kan een aspirant-literaat op een andere wijze een contract bemachtigen op een moment dat uitgeverijen de manuscriptentoevoer een halt toeroepen? Personen zoals Loes weten precies bij welke deur zij moeten aankloppen. Dat wil niet zeggen dat het nepotismeprobleem – laat ons een kat een kat noemen – in de culturele sector hardnekkiger is dan elders; het beperkt aantal plaatsen maakt wel dat mensen met een vertrouwde achternaam bevoordeeld zijn tegenover mogelijk meer getalenteerde onbekenden. Het bezitten van een netwerk, het kennen van het culturele veld en het vertonen van de bijbehorende habitus zijn allemaal sleutels tot verder succes. Je moet immers weten welke evenementen relevant zijn, wie je moet aanspreken, hoe je jezelf moet representeren. Zelfs de handeling om mensen strategisch te ontmoeten is geen evidente basiskennis.
2. Loes krijgt geen kritiek op haar slechte huidhongergedichten
Een tweede vaststelling is dat door een gebrek aan geld literatuur met een grote L meer onderhevig wordt aan een commerciële logica. Dit betekent ook minder ruimte voor – soms terechte – kritiek, en dat komt de geleverde kwaliteit niet ten goede. Soms publiceert Loes gedichten vol onnodige enjambementen, zonder ook maar één hoofdletter, die niets anders beogen dan te getuigen over haar “hogemiddenklasseslachtoffercomplex” – kortom “poëzie” die objectief cringe is. Loes krijgt opnieuw een geprivilegieerde behandeling omdat het lage niveau en hoge cringegehalte van haar lading gedichten niet onder de aandacht wordt gebracht – in de vorm van een recensie of polemiek. De cultuurcriticus as such is een uitstervend ras, dergelijke stem krijgt geen tijd en bladruimte meer om een uitgesponnen analyse van een werk neer te pennen.
Exemplarisch is de cultuurkatern van De Standaard: elke week sieren ettelijke lijstjes deze rubriek die ons mededelen welke boeken we ongetwijfeld moeten lezen. En bijna elk werk krijgt vier sterren (dat laatste is jammer genoeg geen hyperbool). In moeilijke tijden als deze steunen fellow cultuurmensen elkaar maar beter, lijkt de redenering, en dus wordt kritiek vermeden. De recensenten van gisteren lijken de bookfluencers van vandaag geworden. In de mode-industrie valt deze evolutie zelfs fysiek op te merken: op de eerste rijen van shows tijdens fashion weeks prijken vandaag vooral influencers, daar waar vroeger modecritici zaten. Emilee Russell slaat in haar essay “Is real fashion criticism dead?” de nagel op de kop: “The landscape has changed drastically since the 2000s and provocative criticism has taken a backseat to blind praise for the sake of brand deals. Fashion houses and designers are swapping critics at their shows with influencers who won’t do anything other than give the collection a 5-star rating with guns to their heads. You’d be hard-pressed nowadays to find a published negative review. It just doesn’t happen anymore.” Waarom investeren in diepgaande analyses en het risico lopen bekritiseerd te worden als je voor hetzelfde geld honderd procent kans op positive exposure hebt?
3. Loes probeert “binnen” te raken bij die Ene Culturele Organisatie
Tot slot is ook de monocultuur die op heden in ’t wereldje heerst niet te overzien. Er bestaan minder en minder organisaties die jonge auteurs kansen bieden. De weinige subsidies die de nog functionerende organisaties ontvangen, dienen elke regeertermijn opnieuw onder de voortdurende scepsis van rechts gerechtvaardigd te worden. Dat maakt dat deze organisaties gebukt gaan onder een gebrek aan onafhankelijk handelingskader, wat het pluralisme in de literatuur niet ten goede komt. Sterker nog, Pierre Bourdieu zou hier stellen dat het literaire veld zijn “autonomie” verliest. Idealiter legt Bourdieus theorie uit hoe verschillende groepen in het “literaire veld” (onder andere) strijden om erkenning over wat goede literatuur moet inhouden, en dit zorgt voor aanhoudende innovatieve evolutie. Het debat wordt in niet-commerciële literatuur enkel gevoerd op basis van artistieke criteria. Maar de autonomie van het “veld” waarin deze strijd plaatsvindt, kan ook in gevaar komen, zoals in dit geval. Immers, wanneer slechts een of twee organisaties de taak van mecenas op zich nemen, hebben beginnende schrijvers niet langer de vrijheid zelf te bepalen door welke esthetische en inhoudelijke standaarden ze hun werk laten leiden. Zo komen we terecht in de literaire monocultuur van vandaag: iedereen probeert “binnen” te raken bij die Ene Culturele Organisatie – ook Loes – die voor velen de standaard bepaalt van wat wel of niet goed is.
Al wat de klok slaat zijn stapels en stapels pseudo-avant-gardepoëzie, waarin rijke jonge stedelingen over hun eigen uitgevonden onderdrukking fantaseren en dat als revolutionair presenteren. Er wordt geklaagd over het krimpende publiek dat voor de letteren te vinden is, maar wie heeft iets aan dit soort literatuur, behalve de mensen die haar zelf creëren? We zitten in een eeuwige circle jerk feedback loop van figuren die pretenderen over iets dieps te schrijven. Aan de ene zijde stellen auteurs zich pakweg de vraag hoe het is om als vrouw ook eens een man te penetreren, en aan de andere zijde reageren bookfluencers beamend dat dit op “uitdagende innovatieve” wijze getuigt van “gender bending en spelen met maatschappelijke rollen”, terwijl de “woordkunst” in kwestie opgesloten zit in een bubbel van mensen-die-je-na-de-toneelvoorstelling-een-drankje-ziet-drinken-in-de-Vooruit-en-die-toch-al-dezelfde-mening-hadden. Tegelijkertijd lopen de straten vol van talig talent en mensen met verhalen die niet meer verschillend kunnen zijn dan Loes’ opgewarmde hap. Maar daar is geen ruimte voor – noch in het wereldje noch in de subsidiedossiers. De Vlaamse literatuur is op sterven na dood. Of we haar op dit punt nog moeten reanimeren, weet ik niet.