
Tijdens de jaren 1950 van de vorige eeuw deed de psycholoog Harlow proeven rond de hechting van aapjes. Hij haalde baby-aapjes weg van hun echte moeder en liet hen kiezen tussen een stoffen of een ijzeren namaakmoeder. Zij bleken zich liever aan de zachte stoffen namaakmoeders vast te klampen, ook indien er geen voedsel te vinden viel. Hij stelde vast dat wanneer aapjes zich hadden gehecht aan een zachte namaakmoeder “zonder gezicht” (maar met een houten bal in de plaats van het hoofd), ze later de gezichten van andere namaakmoeders wegdraaiden. Ze hadden zich namelijk gehecht aan een heel specifiek ding en konden zich moeilijk tevreden stellen met iets anders. Dit patroon bleek zeer moeilijk of helemaal niet te doorbreken en af te leren.

Mileen Janssens is psycholoog en psychoanalytisch psychotherapeut. Zij is werkzaam in de eigen praktijk (kinderen, jongeren, volwassenen) te Gent en aangesloten bij de Belgische School voor Psychoanalyse.
De eerste conclusie was dat aapjes alleen een “heel basale moederfiguur” nodig hadden om gezond en gelukkig op te groeien. Later bleek echter dat naarmate de aapjes ouder werden, ze allerlei problemen vertoonden en dat hun gedrag afweek van de gewogen normaliteit. De concrete reacties varieerden tussen te grote afhankelijkheid en “verwoestende agressie” (gericht op zichzelf of hun omgeving). Ook op volwassen leeftijd bleven ze “zachte bontachtige dingen koesteren en kenden zij het verschil tussen levende en dode dingen niet”.
Harlow concludeerde dat de aapjes zich niet normaal hadden kunnen ontwikkelen omdat ze geen normale respons van hun nepmoeder hadden ontvangen. Ook het isolement had een grote impact. Deze omstandigheden maakten dat ze een achterstand hadden opgelopen op sociaal vlak. Hun nieuwsgierigheid, het leren van nieuwe dingen en emotionele behoeften bleven echter aanwezig! Toentertijd kwamen dierenrechtenorganisaties in actie tegen Harlows proeven, waardoor hij ze moest stopzetten. Hun redenering (en die van andere critici) hield in dat “iedereen reeds weet dat baby’s een hechte lichamelijke en emotionele band met een mens nodig hebben”, waardoor dergelijke experimenten onnodig leed veroorzaken bij primaten. Deze experimentele psychologie leverde wel de onomstotelijke bevestiging van wat kindertherapeuten en kinderanalytici observeerden via hun eigen klinische ervaringen. De experimenten kunnen ook een ander ethisch licht werpen op het onderzoek met jonge kinderen en oude mensen voor wie hechting belangrijk is en blijft.
Deze vaststellingen hebben een onmiddellijke relevantie voor de technologische vernieuwingen die op til zijn in de zorgsectoren. Bedrijven die hevig investeren in robotica en A.I. willen in de toekomst tevens winsten halen uit het automatiseren van zorgtaken. Dit is reeds in bescheiden mate het geval in Japan, aangestuurd door een wijzigende demografie. Maar zijn die onderzoekers dan niet op de hoogte van bovenstaande proefnemingen? Of hopen deze bedrijven de gesignaleerde tekorten op te vangen door de (digitale) robot “natuurgetrouw” te laten reageren op aanrakingen? Wat is dat dan, “een normale reactie” van een moeder, van een volwassene, een zorg- of verpleegkundige, op de vraag van een kind of een grotere mens, om troost, koestering, geruststelling, soms via gehuil en getier, soms door zich in stilte af te wenden van de realiteit?
De problematiek situeert zich op de grens tussen het lichamelijke en het psychische, bij zowel de persoon die troost vraagt als bij degene die troost aanbiedt en die zich op de behoeftige ander afstemt. Een troostende geliefde of zorgzame mens “reageert” immers niet alleen met gedrag, handelingen en woorden op de ontreddering, het verdriet en grote en kleine gevoelens van de persoon in nood, maar stemt zijn innerlijke wereld af op die van de emotioneel behoeftige persoon. De emoties van de ander raken die van de troostende mens. Daardoor wordt elk antwoord gekenmerkt door haar hoogstpersoonlijk en heterogeen karakter, naargelang het humeur, de (ziels)omstandigheden en de motivaties van de “trooster”.
De aantrekkingskracht van een robot bestaat erin dat het bepaalde behoeften en wensen kan bevredigen. We kunnen met een robot onmiddellijk beschikken over een verlengstuk van onszelf. Deze machine biedt ons de illusie te fungeren als een sociale prothese, terwijl onze echte noden qua intermenselijke interactie in de kiem worden gesmoord. We krijgen “informatie” van en over de menselijke ander tijdens dit contact. We worden verweven met het persoonlijke verhaal en de geschiedenis van de ander, doorheen de ander worden wij een volledig mens. We leven ook via zijn intenties, gevoelens (liefde, tederheid, bezorgdheid, verdriet, gekte …) en zijn tekorten. De nieuwsgierigheid en het verlangen van een baby is steeds gericht op het verkennen van de unieke eigenheid van de ander. De unieke eigenheid van de ander roept in een baby nieuwsgierigheid en verlangen op. Een kind heeft de opake plekken van de liefdevolle ander nodig als psychische ruimten waarin het zichzelf kan creëren. Op die manier wordt een kind noodzakelijk verschillend van die geliefden. Het “overzichtelijk onvoorspelbare” van onze sociale omgeving maakt ons als volwassenen wakker en alert – observaties die te vinden vallen in de Theory of Mind of Theory of Body.
Kinderanalyticus en pediater Donald Winnicott stelt dat de vroege ontwikkelingsfases gepaard gaan met een “failure of adaptation” door de omgeving. Zolang die omgeving “good enough” is, zal het kind gaandeweg positief leren omgaan met de frustratie over het spanningsveld tussen zijn of haar noden en wat een ouder kan aanbieden. Idealiter stemt de moederende persoon zich in grote mate af op de noden van een baby. Deze “perfecte afstemming” zal zich weldra kenmerken door tekortkomingen in de aanpassing: “Deze tekortkomingen houden op hun beurt een soort aanpassing in, omdat ze te maken hebben met de groeiende behoefte van het kind om de realiteit te leren kennen, zich los te maken van het vertrouwde en een persoonlijke identiteit te ontwikkelen”. Die verkenning speelt zich af binnen een subtiele emotionele en liefdevolle choreografie tussen moederfiguur en kind. Zij zijn initieel nog nauw met elkaar verbonden, waardoor de baby de zorg, tederheid en liefdevolle betrokkenheid kan beleven als een “self quality”; het kind internaliseert deze emotioneel positieve zaken als eigenschappen van de eigen identiteit.
Hoe men denkt dergelijke complexe en subtiele ervaring te kunnen vervangen door een robot, valt moeilijk voor te stellen. Het is in de eerste plaats een imaginair surrogaat van menselijke bekommernis. Er bestaat weliswaar het besef dat een kind een knuffel kan gebruiken als een troostende tijdelijke “vervanger” van de moeder. Maar met de knuffelrobot tracht men dergelijk “transitioneel object” (ook een begrip van Winnicott) te “verkopen” aan het kind, en dus stilaan ook aan ouderen van dagen. Terwijl de essentie van een knuffel er net in bestaat dat het kind dit object zelf verzint en haar functie in zijn of haar hoofdje en lijfje creëert.
Het verdriet en de ontreddering van het kind dat zijn ouders moet missen of de ouderen die rouwen om geliefden zijn zeer moeilijk te verdragen. Maar het probleem reikt verder wat betreft onze zorg. We hebben onvoldoende personeel in ziekenhuizen. De vorming van zorgkundigen schiet vaak tekort. En binnen de samenleving valt het meer en meer op dat onze zorgende intuïties onderontwikkeld zijn. Het is mogelijk dat iemand zich aan zo’n pop, in tastbaar materiaal of in de vorm van bewegend beeld uitgezonden op een scherm, vastklampt, er verslaafd aan wordt, bij gebrek aan beter, en dit als verdediging tegen verdriet en pijn. Dit kan een negatief effect hebben op de latere omgang met moeilijk te verdragen emoties in relatie tot anderen.
Intussen bestaan er bijvoorbeeld muziekluiers: een muziekje begint te spelen wanneer een luier in aanraking komt met urine. De peuter in kwestie is op enkele dagen of weken zindelijk. Het zindelijk worden wordt door zo’n gerobotiseerde luier gereduceerd tot een puur lichamelijk leerproces onder invloed van operante conditionering. Het leerproces van zindelijk worden gebeurt doorgaans echter (zoals andere leerprocessen) in interactie met een belangrijke ander: de peuter wordt opgenomen in de liefdevolle wens van de ouders om hun kindje zindelijk te maken. Het sociaal en emotioneel leerproces gebeurt binnen een affectieve context. Winnicott zegt over zindelijkheid het volgende: “Wanneer we van kleintjes verwachten dat ze zich aanpassen aan regels voordat ze er klaar voor zijn om zelfcontrole uit te oefenen over zichzelf, ontnemen we hen misschien vertrouwen in hun eigen controle over hun sluitspieren, iets wat een natuurlijk proces is, een rijpingsproces. Elk kindje heeft de wens te zijn zoals de andere personen en dieren in zijn wereld.” Dat de beweegredenen om “groot te worden” ook vanuit de baby en het kind zelf moeten komen – steeds in interactie met zijn omgeving – is iets wat in onze leergerichte behavioristische opvoedingscultuur al te zeer over het hoofd wordt gezien!
Het is dus belangrijk om bij de ontwikkeling van efficiënte technische en digitale hulpmiddelen inzichten van baby- en kinderanalytici een plaats te geven. Zij hebben immers een eeuw lang ervaringen kunnen opbouwen over de ontwikkelingspsychologie van het kind. De kans is te groot dat men deze “onmenselijke” hulpmiddelen inzet om tegemoet te komen aan het instrumenteel efficiëntiedenken van de huidige samenleving. Dit kan op langere termijn ten koste gaan van de menselijke aspecten van de ziekenzorg en kinderopvang. De samenleving is niet gediend met cyborgs of mensjes en mensen die op een autarkische manier aan zichzelf genoeg hebben en zich tegelijkertijd vastklampen aan zielloze objecten.