12 mrt 2026

Onze wereld is geknecht aan technologie en kapitaal

De Amerikaanse sociale wetenschapper Jathan Sadowski presenteert met zijn laatste boek The Mechanic and The Luddite (2025) een meedogenloze kritiek op technologie en kapitalisme. Hij tracht de digitale relaties van onze huidige samenleving kritisch in kaart te brengen: “We worden voortdurend gedwongen om te voldoen aan de behoeften van twee systemen: technologie en kapitalisme. Hun doelen en doeleinden krijgen bijna altijd prioriteit boven alle andere. Hun imperatieven en logica hebben vaak meer invloed dan welke andere dan ook … Geen van beide bestaat buiten de mens, maar beide worden behandeld alsof ze boven de mens staan. Ze zijn het product van menselijke waarden, keuzes en handelingen, maar het zijn ook groter-dan-het-leven-instellingen waarvan zelfs de machtigste mensen beweren er geen controle over te hebben. Tegelijkertijd ontzeggen ze iedereen anders de mogelijkheid om er controle over uit te oefenen”. We hebben als menselijke soort het winstmechanisme van het kapitalisme en haar technologische structuur om het kapitaal te accumuleren gecreëerd, maar tegelijkertijd kunnen we schijnbaar geen invloed uitoefenen op de sociale logica van deze twee dingen. We worden geregeerd door de dingen, en hierbij offeren we de onbestemde veelzijdigheid van ons bestaan op aan kapitaal en technologie.

Henk Vandaele is verpleegkundige en filosoof. Hij is hoofdredacteur van het filosofisch tijdschrift De Uil van Minerva en lector filosofie en ethiek aan de VIVES Hogeschool.

De machinist en de Luddiet

Uiteraard verwijst the mechanic naar de arbeider, maar bij Sadowski krijgt deze een specifieke invulling. Sadowski doelt op het type arbeider uit het verleden, dat inzicht heeft in de mechaniek van de machine waarmee hij werkt. Het doet me denken aan Prokovy, het personage uit de surrealistische Russische roman Tsjevengoer van Andrej Platonov. Prokovy is de trotse machinist, die met zijn olie besmeurde handen en kiel in de stoom van zijn treinmachine staat te werken. De machinist beheerst dus de techniek van de productiemiddelen. Sadowski contrasteert de machinist met the engineer. Vanaf de jaren 1930, aldus Sadowski, komt de ingenieur op het toneel die de kern van het arbeidsproces ingrijpend verandert. De machine wordt technologie, waardoor de ingenieur de machinist verdringt uit het centrum van de productie. De ingenieur stamt uit een intellectuele klasse, en vanuit de imperatieven van het kapitaal maakt hij het productieproces complexer. “Het begin van het ingenieurswerk als beroep situeert zich in de wens van het kapitaal om zijn abstracte logica van accumulatie, controle en efficiëntie om te zetten in concrete processen”. Deze dynamiek is evengoed te vinden in onze huidige digitale economie. De doorsnee digitale werknemer is onwetend over de techniciteit van de aangewende technologie. Die kennis, het algoritme, wordt vakkundig afgeschermd door de monopolies. De machinist functioneert louter als een uitvoerend productiemiddel, dat, ontdaan van zijn vakkundige expertise, nog enkel digitale bullshit-taken moet uitvoeren.

De notie van de Luddite verwijst naar Ned Ludd, een wever die in 1779 twee mechanische weefmachines zou hebben vernield. Het verhaal van Ludd, dat allicht teruggrijpt naar een mythe, vormt de ideologische inspiratie voor de Engelse beweging van “de Ludditen”, die tussen 1811 en 1813 weefgetouwen vernielden omdat de voortschrijdende mechanisatie meer en meer werkloosheid veroorzaakte onder de zelfstandige wevers. De orthodoxe geschiedschrijving beschouwde de Luddieten als primitieve technofoben. Liberale en conservatieve historici omschreven hen als onwetende proleten die gedisciplineerd moesten worden in het rationele fabriekssysteem. Sadowski hanteert echter de term als een geuzennaam. Hij wil werk maken van een revolutionaire klasse van “digitale Luddieten”. Hij stelt vanuit historisch perspectief dat Luddieten helemaal niet technofoob waren. Ze vernietigden niet elke vorm van machinale technologie. Ze vernielden enkel de machines die hun sociale omstandigheden onderuit haalden. En ze waren allerminst onwetend of “onderontwikkeld”. Ze begrepen de politieke economische consequenties van het industrieel kapitalisme verdomd goed.

Sadowski wil de hedendaagse machinist in zijn waardigheid herstellen. Het middel daartoe is het ontmaskeren (het demystificeren) van de ideologie van de digitalisering doorheen de lens van de politieke economie – de digitalisering dient welbepaalde belangen binnen welbepaalde economische verhoudingen via welbepaalde economische mechanismen. Alleen op die manier krijgt de machinist het bewustzijn van een Luddiet, waarna hij kan pogen om de eigen werkomstandigheden en de algemene bestaande digitale orde te transformeren in meer democratische en leefbare verschijningsvormen. Sadowski wil dus in de eerste plaats een meedogenloze kritiek op de bestaande orde leveren. 

De mythe van innovatie

De gehele digitale industrie gaat er prat op innovatief te werk te gaan. Innovatie is hip en dus bestaan er ontelbaar veel “departementen, agentschappen, scholen en andere gigantische instituties en initiatieven met het woord “innovatie” in hun naam”. Met dit slagwoord legitimeren ze hun werking, maar er moet een cruciale vraag worden gesteld over de rol van de onderliggende economische machtsverhoudingen. De economische motor van al die innovatie is het “durfkapitaal”. En het is de durfkapitalist die beslist welke vernieuwing er wordt geproduceerd. Zo wordt innovatie een krachtig machtsinstrument dat de belangen van een oligarchische elite dient. Denk maar aan gekende namen zoals Jeff Bezos (Amazon), Bill Gates (Microsoft), Mark Zuckerberg (Meta), Elon Musk (Tesla), … 

De hedendaagse digitale politieke-economische realiteit is door en door monopolistisch en speculatief. Deze digitale giganten zijn nauw verweven met de belangen van de financiële markten. Ze weten enorme sommen geld te concentreren uit die financiële markten omdat hun platforms alle digitale verkeer weten te monopoliseren. Kunstmatige intelligentie moet dus eerder begrepen worden als een nieuw machtsinstrument om de economisch dominante positie van die platforms verder te bestendigen – het monopoliseren van het eigendomsrecht van reeds bestaande kennis. Maar de waarde van het platformkapitaal is om die reden grotendeels fictief. Platforms produceren zelf weinig waarde, ze extraheren eerder rentes uit hun bevoorrechte economische positie om de circulatie van geproduceerde kapitalen, kennis en goederen infrastructureel te omvatten. En die rentes worden op hun beurt opnieuw gerecycleerd op de financiële markten via het afgeschermde wereldje van financial engineering. Sadowksi stelt dan ook terecht dat we te maken hebben met zeer gevaarlijke corporate technocrats die elk facet van ons leven willen binden aan hun digitale platformmacht. En we zullen allen hun versnellende rente-extractie bekostigen. Ik betrek het even op de Belgische context. We betalen nu reeds ons winkelkarretje met allerhande digitale applicaties, leerkrachten en leerlingen zijn geknecht aan de Smartschool-software en zelfs onze waterontharders in huis kunnen niet zonder een frequente update. 

“Data is the new oil”

“Data is the new oil”. Met deze metafoor zetten de technologiebedrijven zichzelf in de markt. En marketingbedrijven dragen zeer graag hun steentje bij om via metaforen de digitalisering te mystificeren. Technologiebedrijven gebruiken ook graag buzzwords zoals “data mining” om de indruk te wekken dat ze grondstoffen aanboren, terwijl in werkelijkheid data reeds is geproduceerd door de gehele samenleving. Deze monopolisering van de eigendomsrechten over onze collectieve kennis kent ook zijn ironische momenten. Meta kon haar AI-programma pas operationeel maken door de software los te laten op de grootste illegale databank van academische ebooks. Een half dozijn academische uitgeverijen bezit zowat alle academische kennis op deze aardbol. Dit gebrek aan publiek en democratisch eigendomsrecht vormde net de grootste hinderpaal voor Meta om haar eigen monopoliserende kennistechnologie te ontwikkelen. Waardoor Zuckerberg geen andere optie had dan zich illegaal te wenden tot een stelletje Russische piraten.

De digitale mythe wil dus ons doen geloven dat data moet worden beschouwd als een natuurlijke grondstof. Een grondstof die universeel beschikbaar en gemakkelijk aan te passen is aan de marktdynamiek. En alleen een handvol bedrijven kunnen beschikken over adequate technologieën om data te “ontdekken”, te extraheren, te verwerken en uiteindelijk te kapitaliseren. Data is de kern van het digitaal kapitalisme. Data is accumulatie in elke mogelijke denkbare betekenis en alles moet data worden om de financiële rente-extractie verder aan te zwengelen. Uiteindelijk zetten de technologische bedrijven de wereld vol met digitale extractie-apparatuur om zo overal, altijd en dwingend data te capteren. Data bezit als product tevens het kenmerk om abstract en mobiel te zijn. Data gedraagt zich op economisch vlak net zoals geld. Om dit te illustreren citeert Sadowski Het Kapitaal: “De circulatie van geld als kapitaal is een doel op zich, want de valorisatie van waarde vindt alleen plaats binnen deze voortdurend vernieuwde beweging. Ook daarom is beweging van kapitaal grenzeloos”. Data beweegt zich op een identieke wijze doorheen onze economische ruimte. Ook daarom kan data in de meest directe betekenis gelijkgesteld worden aan geld. Het is een gemystificeerde cryptomunt.

Een digitaal belfort

Het digitaal kapitalisme is geen abstract gegeven dat boven onze hoofden zweeft. We kunnen de impact zelfs observeren op lokaal niveau. Dat was het geval in pakweg Kortrijk enkele jaren geleden. Vanuit de lokale politieke wereld werd een noodzaak gevoeld om cijfermatig een inzicht te verkrijgen in het aantal klanten die de winkelstraten bezochten. Die objectieve informatie was nodig om het Kortrijkse winkelstraten-beleid aan te sturen. De administratie beschikt niet over de infrastructuur om precieze cijfers te bekomen, dus moest het noodgedwongen aankloppen bij de mobiele operatoren. Deze operatoren bezitten wel de technologische infrastructuur die de data van het smartphonegebruik in de winkelstraten extraheert. Het was voor het stadsbestuur een bittere pil dat ze voor die cijfers een aantal tienduizenden euro’s moesten ophoesten. De Luddiet weet dat de burgers deze gegevens produceren, maar in de huidige politieke economische context zijn de mobiele operatoren de eigenaars van die gegevens. Vanuit een progressief perspectief is dit problematisch. Ook hier stoten we op het kritische sociale vraagstuk van wat “rechtmatig privébezit” is – voorbij de macht en belangen van enkele monopolisten. 

Shoshana Zuboff vergelijkt deze monopolisering van publieke eigendomsrechten met de koloniale praktijken die werden losgelaten op Afrika of Zuid-Amerika. De digitalisering schept een nieuw economisch terrein waar digitale bedrijven vrijwel onbeperkt opereren. Het data-landschap kent geen georganiseerde weerstand. De koloniale machten veroverden gehele continenten met als doelstelling om grondstoffen en arbeidskracht te extraheren ten behoeve van de accumulatie in het thuisland. In beide gevallen bestaan er haast geen obstakels of regels om de ontginning te stoppen. En in beide gevallen zijn de politieke en economische machten nauw met elkaar verweven. Cecil Rhodes en pakweg Elon Musk zijn dan ook elkaars spiegelbeeld. Rhodes kon met behulp van zijn politieke netwerken een gigantisch stuk Afrika transformeren tot zijn private site van diamantontginning. Om het uiteindelijk te schoppen tot premier van de Kaapkolonie.  

De vraag is dan ook hoe we deze digitale kolonisering van onze samenleving een halt kunnen toeroepen. Hoe kunnen we die private eigendomsregels omkeren en de digitale extractie-technologie collectiviseren? Het uiteindelijke doel is om de gekapteerde gegevens als collectieve eigendom te behandelen. We kunnen data bewaren in een stedelijk “digitaal belfort”. Tijdens de middeleeuwen deed het belfort dienst als communale plaats waar de stadsdocumenten (keuren, zegels, ambachtsreglementen, etc.) werden bewaard. De stedelijke bevolking beschouwde het belfort als een collectieve schat aan kennis, en het kon pas worden geopend door de gezamenlijke sleutels van verschillende stadsfunctionarissen. In het digitaal belfort worden de digitale gegevens van de burgers gecodeerd bewaard. Alleen na democratische deliberatie kunnen zij worden gedecodeerd en vrijgegeven door beëdigde functionarissen. In dit geval zouden wij, als collectief, eigenaar blijven van onze digitale whereabouts. Technologische bedrijven zouden het collectief moeten betalen indien zij gebruik willen maken van onze geproduceerde data. Onze privacy en publieke financiën zouden er wel bij varen. 

De magie van de machine

De nieuwste hype van de digitale monopolisten is momenteel AI. Zij beloven de financiële markten dat zij een nieuwe economie zullen aandrijven, eentje die gebaseerd is op het reduceren van de input van arbeidskracht. AI creëert de mythe dat zijn software onze menselijke mogelijkheden tot arbeid zal overschrijden, en dit allemaal zonder menselijke interventie. We kunnen eerder, net zoals Sadowksi, spreken over “Potemkin AI”. Potemkin was een Russische aristocratische ambtenaar tijdens de tweede helft van de achttiende eeuw. Hij liet valse, verfraaide dorpen optrekken om tijdens de reizen van tsarina Catharina II haar in de waan te laten dat het land welvarend was. AI is in zijn bedrieglijkheid niet verschillend van deze “Potemkin-dorpen” om de samenleving te misleiden met het idee dat we een schitterende toekomst tegemoet gaan. Zo worden zelfrijdende wagens vaak op afstand door een mens bestuurd. En zo werd (de reeds afgevoerde) Facebook-applicatie M, opgevat als een persoonlijke assistent, in werkelijkheid aangestuurd door mensen. De Wall Street Journal ontmaskerde een aantal van deze praktijken als de “tech’s dirty secret”. Een rapport van MMC Ventures, een investeringsfirma uit Londen, toonde aan hoe 2830 Europese start-ups hun digitale technologie valselijk als AI in de markt zetten. De rauwe realiteit is dat veel zogenoemde AI-taken eigenlijk uitgevoerd worden door spotgoedkope menselijke arbeidskracht in lageloonlanden. Het is dus eerder een materieel feit dat de digitalisering neo-koloniale uitbuitingsmechanismen doet versnellen. Het is eerder een werktuig om de uitbuitingsgraad in het Zuiden te intensifiëren.

Landlords, renteniers en staat

Bovenal is het een populaire mythe dat Silicon Valley veel productieve meerwaarde creëert. Het kapitalisme was oorspronkelijk een productie-gecentreerd systeem dat als logica heeft om steeds meer meerwaarde voort te brengen. De digitalisering is eerder het product van de financialisatie van onze economie. Het teert tevens op voortdurende rente-extractie uit de reële economie, waardoor we de huidige digitalisering eerder kunnen bekijken als een mechanisme om “gestolen waarde” ter beschikking te stellen aan de financiële markten. Het land van de innovatie zit vol landlords, techno-renteniers, die de praktijken van de financiële markten hebben gekopieerd. Het rentenierskapitalisme heeft zijn dominantie na de crash van 2008 veiliggesteld door middel van een platformisering van de globale economie. Techno-bedrijven beheren als gatekeepers alle bewegingen op het net, waardoor elke economische activiteit noodzakelijk door hun handen passeert. Ze kunnen elke digitale beweging maken of kraken, en je kunt alleen gebruikmaken van de digitale weg wanneer je eerst passeert langs de digitale kassa. Met andere woorden, je betaalt tol aan een digitale huisbaas – de landlord

Tekenend voor deze machtspositie is dat in 2009 de twintig grootste bedrijven activiteiten uitoefenden in energie, farmacie, financiële mediatie, etc. Anno 2023 zijn negentien van de mondiaal grootste bedrijven techno. Ze cashen bij elke economische beweging die de samenleving maakt. Beeld je in dat je zou moeten betalen om je huis te kunnen verlaten. En vervolgens betaal je opnieuw op elke straathoek. Dit is de werkelijkheid in de digitale ruimte. Die is compleet ingepalmd door deze digitale tolheffers. Zij zijn bijgevolg ook overheersend in ons fysiek leven, omdat zij het dagelijkse verkeer in onze sociale interacties regelen: “mobility-as-a-service” (Uber), “delivery-as-a-service” (Doordash), “property-as-a-service” (Airbnb), etc. Met dergelijke stroom aan diensten bieden de techno-bedrijven hun klanten ook de mogelijkheid aan om hun private leven te commercialiseren (auto, woonst, etc.). Dit gebeurt echter met een dubbele kost. Een stuk van de inkomsten wordt door de landlord opgeëist én ondertussen wordt ook de gehele sociale fysieke ruimte gecommercialiseerd. Sadowski geeft het voorbeeld van Zoom, die tijdens de pandemie een noodzakelijke dienst verleende. Maar dit communicatieplatform integreerde zich diep in het sociale leven van de mensen na de covid-periode. Vervolgens werden bepaalde updates betalend. 

Elke rentenier droomt ervan een economisch dominante positie te verwerven waarvan anderen afhankelijk zijn. Een rentenier wil een bepaalde “asset” bezitten die controle uitoefent over de zwakkere partij. Een dergelijke machtsdynamiek is ideaal om maximale waarde te genereren. Momenteel beginnen zelfs de dominante politieke elites zich te gedragen als renteniers: de gecontroleerde toelating om gebruik te mogen maken van sociale voorzieningen wordt gekoppeld aan een vrijgeleide om de economische uitbuiting ongelimiteerd op te voeren. De huidige politici dienen niet meer het algemene belang om het leven van de burgers te verbeteren. Zij beschouwen zichzelf als landlords die willekeurig beslissen wie nog toelating krijgt tot die sociale voorzieningen. De burgers moeten accepteren dat zij worden getransformeerd tot gecommercialiseerde “assets” – invoer van flexijobs, culpabilisering van zieken, opvoeren van de pensioenleeftijd, uitschakelen van sociaal loonoverleg – om het levenseinde van een finaal gebroken economisch systeem te rekken. De financialisering en haar digitale landlords hebben het mogelijk gemaakt dat onze sociale leefwereld een grote enclosure (het privatiseren van publiek en gemeenschappelijk bezit) wordt ten dienste van de rentenierslogica.

Sociale kosten

De digitalisering brengt ook nieuwe risico’s met zich mee: data-misbruik om particuliere belangen te dienen, uitholling van arbeidsrechten, verdachtmakingen tegenover bepaalde sociale groepen gebaseerd op twijfelachtige gegenereerde statistieken, social engineering van ons gedrag, digitale fraude, het wegfilteren van informatie, etc. Echter, de techno-bedrijven hebben er alle belang bij om deze risico’s als neutraal voor te stellen. Op die manier depolitiseren en mystificeren ze hun uitbuitingsmechanismen. De oplopende sociale kosten van hun systemen worden steevast afgewenteld op de modale gebruiker. Voor de Luddiet is dit onaanvaardbaar. De techno-bedrijven genieten uitsluitend van de lusten, de lasten zijn voor de machinist. Sadowski pleit dan ook voor risicoreductie en democratische controle over de technologie die wordt ontworpen.

De toekomst 
Hoe we ons als samenleving kunnen wapenen tegen de dominantie van Big Tech zal bepalend zijn voor hoe wij onze toekomst vormgeven. Onze politieke en ideologische denkbeelden over de toekomst zijn cruciale elementen in het heden: het creëren van toekomstbeelden is een belangrijk machtsinstrument. Techno-bedrijven hebben er alle belang bij om hun futures dominant in de markt te zetten. Op die manier kunnen ze zowel private als publieke investeringen aantrekken. Alternatieve democratische visies, zoals open source of commons-gedreven software, worden gemarginaliseerd. De technologische vooruitgang wordt in het heden ideologisch voorgesteld als een onvermijdelijkheid waarvan de richting reeds vastligt. De digitalisering wordt zo een globale motor voor het rentenierskapitalisme. Er is nood aan een hedendaagse Luddietenbeweging die in het onderwijs en op publieke fora de digitale machtsverhoudingen ontmaskert. Het is aan de Luddiet om zich politiek te organiseren en het middenveld te versterken om een democratische digitale samenleving te vrijwaren.