11 mrt 2026

Sociale vooruitgang opnieuw op de agenda zetten!

Manon De Bruyn – Tocht (i.h.k.v. Magrafica)

Er bestond een tijd waarin elke nieuwe generatie het materieel beter had dan de vorige. Deze periode ligt inmiddels achter ons. Na de Tweede Wereldoorlog kenden de Europese economieën een ongeziene heropbouw, gevolgd door ongeveer vijfentwintig jaar van sterke welvaartsstijging. Ondanks de Koude Oorlog en dekolonisatieconflicten leefde er toen een breed gedeelde overtuiging dat de toekomst vooruitgang zou brengen. Vooruitgang was geen loze slogan, maar een reëel politiek en maatschappelijk doel.

Jan Dumolyn is historicus
en hoogleraar verbonden aan de Universiteit Gent. Hij is mediëvist gespecialiseerd in de institutionele en sociale geschiedenis van de Lage Landen.

Vandaag is die overtuiging grotendeels verdwenen. De afgelopen decennia zijn steeds meer fundamenten van de welvaartsstaat afgebroken. We leven in een tijd van onzekerheid, ecologische crisis, stijgende levensduurte en geopolitieke dreiging. Om dat te begrijpen, loont het de moeite terug te blikken op de historische voorwaarden waaronder sociale vooruitgang tot stand kwam.

In de negentiende eeuw bracht de industrialisatie aanvankelijk voor de meeste mensen geen vooruitgang met zich mee. We zagen eerder een absolute tendens tot verarming met fenomenen zoals proletarisering, slechte leefomstandigheden, snelle urbanisatie en koloniale uitbuiting. Op langere termijn zorgde deze industrialisatie natuurlijk wel voor een sterke productiviteitsgroei en technologische ontwikkeling.

Sociale vooruitgang kwam echter niet automatisch voort uit technologie, zoals een bepaald type vooruitgangsdenkers ons wil doen geloven, maar uit sociale strijd. De arbeidersbeweging dwong stap voor stap haar sociale rechten af: het stakingsrecht, de sociale verzekeringen en de arbeidswetgeving. Progressieve delen van de burgerij en intelligentsia ondersteunden die eisen deels, maar meestal onder druk van onderuit.

Vanaf het einde van de negentiende eeuw ontstonden de eerste bouwstenen van wat later de sociale zekerheid zou worden: ziekte- en ongevallenverzekeringen, beperkingen op kinderarbeid, regulering van werkuren, pensioenen en werkloosheidssteun. Deze vooruitgang verliep traag en bleef beperkt, maar was reëel. Ook vóór de Eerste Wereldoorlog was er dus al sociale verbetering, ondanks harde repressie en grote ongelijkheid.

De Russische Revolutie van 1917 vormde, los van haar latere ontsporing, een schok voor de bestaande orde en versterkte de druk op westerse elites om hervormingen door te voeren. Ook in België leidde dit na de Eerste Wereldoorlog tot belangrijke politieke en sociale hervormingen, waaronder het algemeen mannenstemrecht. Opnieuw kwam vooruitgang tot stand door sociale strijd én door het besef bij delen van de politieke klasse dat toegevingen noodzakelijk waren.

Daarnaast droegen technologische ontwikkelingen – zoals de mechanisering van de landbouw, hogere voedselproductie en medische vooruitgang – bij aan een geleidelijke welvaartsstijging. Toch was ook hier de rol van collectieve organisatie cruciaal: vakbonden en mutualiteiten waren essentieel om deze vooruitgang te veralgemenen. Technologie op zichzelf volstaat niet; ze moet gekoppeld worden aan sociale en politieke strijd.

In het interbellum breidde de sociale wetgeving zich verder uit, onder meer met de achturendag en betaalde vakantie. Sociale vooruitgang werd toen breed aanvaard als legitiem politiek doel. Vaak blijkt uit de geschiedenis dat grote stappen vooruit juist volgen na zware crisissen. Dat gold ook voor de periode na de Tweede Wereldoorlog.

Na het Sociaal Pact van 1944 werd de sociale zekerheid systematisch uitgebouwd. In België werd dit gecentraliseerd en uitgebreid tot een samenhangend stelsel, gefinancierd door bijdragen van werknemers en werkgevers en beheerd door sociale partners. Dat was ideologisch en politiek van groot belang: het erkende dat sociale zekerheid gefinancierd wordt door arbeid en dat het een vorm van uitgesteld loon vertegenwoordigt. In de daaropvolgende decennia werden lonen, uitkeringen, pensioenen, gezondheidszorg en arbeidsrechten verder verbeterd. Medezeggenschap op de werkvloer werd versterkt en sociale vooruitgang ging gepaard met culturele veranderingen zoals hogere scholingsgraad en sociale mobiliteit.

Deze periode van collectieve vooruitgang kwam echter tot een einde in de jaren 1970. De oliecrisis, economische stagnatie en inflatie leidden tot massale werkloosheid en besparingen. Hoewel er nog enige sociale verbeteringen kwamen op het gebied van gendergelijkheid, rechten voor mensen met een beperking of veiligheid op het werk, werd het steeds moeilijker om het bestaande niveau van sociale bescherming te behouden. Sommige maatregelen waren eerder noodoplossingen dan echte vooruitgang.

Vanaf de jaren 1980 zette het neoliberalisme zich door, met deregulering, privatisering, flexibilisering van arbeid en een aanval op de vakbonden. Deze ideologie werd ook verankerd in het Europese project. Het gevolg was toenemende ongelijkheid en een structurele verzwakking van de sociale zekerheid. Financiële crises en werkloosheid ondermijnden de financiering van het systeem, terwijl steeds meer uitzonderingen en alternatieve verloningsvormen werden ingevoerd die sociale bijdragen ontwijken.

Hoewel de economie sinds de jaren 1990 opnieuw groeide, werd die groei niet vertaald in nieuwe collectieve sociale voorzieningen. De nadruk lag op winst, flexibiliteit en aandeelhouderswaarde. De financiële crisis van 2008 maakte pijnlijk duidelijk dat de staat nog steeds onmisbaar is om het systeem te redden, terwijl de kosten opnieuw bij de bevolking terechtkwamen. Tegelijk verschoof de machtsverhouding structureel in het voordeel van kapitaal: het loonaandeel daalde, ongelijkheid nam toe en rijkdom concentreerde zich bij een kleine elite.

Vandaag bereiken ongelijkheid en onzekerheid wereldwijd ongekende niveaus. Grote delen van de bevolking leven in of nabij armoede, kinderarmoede stijgt, en essentiële voorzieningen zoals wonen, energie, zorg en openbaar vervoer worden onbetaalbaar of uitgehold. Waar vroeger brede politieke consensus bestond over de noodzaak aan sociale vooruitgang, overheerst nu een ideologie van defaitisme en permanente crisis, waarin besparingen als onvermijdelijk worden voorgesteld. Tien jaar lang moeten we nog in België afzien, volgens Bart De Wever. We weten allemaal dat de pensioenen zogenaamd niet meer betaalbaar zijn en dat de jonge generatie geen eigen huis meer zal kunnen kopen. Maar niemand stelt zich blijkbaar nog de vraag welke economische mechanismen dit veroorzaken: we hebben wereldwijd nog nooit zoveel waarde geproduceerd, maar waar gaat die dan naartoe?

De uitdaging is daarom ideologisch en politiek van aard. Echte vooruitgang vergt opnieuw sterke publieke investeringen, regulering van financiële markten, herverdeling van grote vermogens en investeringen in huisvesting, zorg, onderwijs en duurzame economie. En ja, waarom geen publieke controle over bepaalde sleutelsectoren van de economie? Zonder een nieuw collectief project dreigt verdere sociale afbraak.

De centrale vraag blijft waarom de huidige politieke elite van centrumlinks en centrumrechts geen hoopvol toekomstverhaal meer durft te formuleren. Is het puur defaitisme of een volledige internalisering van de neoliberale ‘There is no Alternative’-ideologie? De geschiedenis leert dat sociale vooruitgang mogelijk is, maar nooit vanzelf komt. Ze vereist politieke moed, maatschappelijke strijd en een duidelijke keuze voor het algemeen belang. 

Wat deed iemand als Achiel van Acker in 1944? Hij maakte gebruik van de juiste krachtsverhoudingen om een stap vooruit te zetten. Een nieuwe visie, vergelijkbaar met die van de naoorlogse architecten van de welvaartsstaat, is dringend nodig om sociale vooruitgang opnieuw centraal te stellen.