Ketters zijn nodig: Rainer Werner Fassbinder

Door Bernard Lindekens*

 

Ich werfe keine Bomben, ich mache Filme…

Bestaat er nog zoiets als de Duitse film? Wim Wenders maakt niets aardigs meer, Werner Herzog geeft masterclasses op YouTube en Rainer Werner Fassbinder is al heel lang dood. “Fass wie?” hoor ik het jonge volkje al hardop mompelen. Zijn naam doet nog zelden een belletje rinkelen. Nochtans was deze regisseur een van de scherpste waarnemers van zijn tijd.

Van Stunde Null tot Papas Kino ist Tot
Duitsland 1945…, het jaar nul. Steden, het geestelijk leven en populaire cultuur, alles ligt in puin. In dat jaar, meer bepaald op 31 mei, wordt Rainer Werner Fassbinder in het Beierse Bad Wörishofen geboren. Als zuigeling verhuist hij met zijn ouders, dr. Helmut Fassbinder en Liselotte Pempeit Fassbinder naar München, waar zijn vader een medische praktijk opstart. Fassbinder is amper vijf wanneer zijn moeder een tijdje wordt gehospitaliseerd vanwege tuberculose. Een jaar later scheiden Fassbinders ouders, zijn vader verhuist naar Keulen en zijn moeder vindt werk als vertaalster.
Van 1951 tot 1955 verandert de jonge Fassbinder tweemaal van lagere school en wordt zijn moeder weer gehospitaliseerd. Op school blinkt hij niet uit, maar de jonge Rainer schrijft verhalen en begint steeds vaker film te kijken. Hetzelfde patroon tekent zich af tijdens zijn middelbare schoolloopbaan: de belhamel zal vier internaten slijten en uiteindelijk via avondstudie zijn diploma halen. Zijn talent voor het schrijven van kortverhalen en filmscripts lijkt hij verder te ontwikkelen.
Fassbinders moeder hertrouwt met de journalist Wolff Eder, maar in de periode 1961-1963 woont hij in Keulen, waar hij zijn vader met diens immobiliënkantoor helpt. Het zijn de jaren waarin het Oberhausen Manifesto wordt gelanceerd, een verklaring van 26 jonge filmmakers tijdens het Internationaal Festival van de Korte Film in Oberhausen waarin geroepen wordt om een nieuwe Duitse cinema. In zekere zin is het de voorloper van de Neue Deutsche Cinema die het volgende decennium regisseurs zoals Fassbinder zelf, Kluge, Schlöndorff, Syberberg, von Trotta en Wenders zal voortbrengen. Het motto van initiatiefnemers Haro Senft, Edgar Reitz en Alexander Kluge was Papas Kino ist Tot: ze verkozen realisme boven escapisme en directe actie van de regisseur boven het studiosysteem. Met het nationaalsocialistische verleden van Duitsland gaan ze zeer kritisch om.
Fassbinder keert terug naar zijn München en gaat halftijds aan de slag in de archieven van de Süddeutsche Zeitung. Het is het begin van een creatieve periode, want hij begint met het maken van 8mm-films en volgt acteerlessen aan de school Fridl Leonhard. Daar ontmoet Fassbinder Hanna Schygulla, de cultactrice van zijn latere films. In 1966 deelt hij de derde prijs voor het drama Nur eine Scheibe Brot: Dialog über ein Auschwitzfilm. Hij blijft filmen en solliciteert tevergeefs bij de nieuwe Duitse Film & TV Academie.
De Duitse film lijkt dat jaar uit een diep dal te klimmen. Advocaat Alexander Kluge wint met  de goedkope zwartwitfilm Abschied von Gestern de Prijs van de jury op het filmfestival van Venetië. Een jaar later wint Kluge de Gouden Leeuw met Die Artisten in der Zirkuskuppel.
Fassbinder wordt in 1967 creatief leider van het Action-Theater in München en regisseert een aantal producties. Onder andere Irm Hermann, Gottfried John en Armin Meyer maken samen met de reeds eerder genoemde Hanna Schygulla deel uit van het Action-Theater.  Ze zullen later in veel van zijn films figureren.
In het mythische jaar 1968 schrijft en regisseert Fassbinder het stuk Katzelmacher, organiseert hij het antitheater in München, schrijft hij mee aan vier stukken, regisseert hij vijf performances en brengt hij zijn stuk Der amerikanische Soldat op de planken. Het lijkt alsof op de tomeloze energie van Fassbinder geen maat staat. Via Antitheater-X-Film verschijnen het daaropvolgende jaar van hem maar liefst vier volwaardige films: Liebe ist kälter als der Tod , Katzelmacher, Götter der Pest en Warum läuft Herr R. Amok?  In Liebe ist kälter als der Tod gebruikt Fassbinder een heel onderkoelde, vrijstaande esthetiek die door het werk van Godard en Jean Marie Straub werd geïnspireerd. De film werd geen groot succes, maar zorgde er wel voor dat Fassbinder in contact kwam met een aantal filmproducenten.

De doorbraak
In 1970 volgt de doorbraak met het alom bejubelde Katzelmacher. De film toont de onverdraagzaamheid van een groep financieel en seksueel gefrustreerde vrienden wanneer een Griekse migrant in hun buurt komt wonen. Dit vlijmscherpe filmexperiment is zowel een erg persoonlijke uitdrukking van vervreemding  als een sterke aanklacht tegen de nog steeds aanwezige xenofobie in de Duitse samenleving. De film wint op het Heidelberg Mannheim Film Festival, maar Fassbinder weigert de prijs omdat de festivaldirecteur tijdens de Tweede Wereldoorlog nazipropagandafilms had gemaakt. Dat jaar draait Fassbinder ook nog Rio das Mortes, Whity, Die Niklashauser Fart, Der amerikanische Soldat, Warnung vor einer heiligen Nutte en Pioniere in Ingolstadt.

© picture-alliance/Konrad Giehr

Als gevolg van de ontmoeting met de Duits-Amerikaanse regisseur Douglas Sirk besluit Fassbinder zijn films toegankelijker te maken. Hij ontbindt het anti-Theater in München en richt de productiefirma Tango–Film Rainer Werner Fassbinder op, waarvoor zijn moeder Liselotte de boekhouding doet. Hij zal nu niet alleen zijn eigen films en toneelstukken maken, maar ook de films van anderen faciliteren.
Kort hierna verschijnt Die bitteren Tränen der Petra von Kant, een film over de Duitse modeontwerpster Petra von Kant die sinds de dood van haar man samenwoont met haar dienstmeid Marlene. Diens vriendin Sidonie brengt Petra von Kant in contact met de bloedmooie Karin, die lang in Australië heeft gewoond. Petra wordt verliefd en biedt Karin een baan aan als mannequin. Omdat Karin nog geen eigen woning in Duitsland heeft, trekt ze voorlopig in bij Petra. Ook voor de buitenwacht wordt nu wel duidelijk dat die jonge regisseur heel wat in zijn mars heeft. Zijn huwelijk met de Duitse actrice en zangeres Ingrid Caven loopt echter op de klippen.

Het vuil, de stad en de dood
In 1975 draait Fassbinder Mutter Küsters’ Fahrt zum Himmel en Ich will doch nur, daß ihr mich liebt, maar alle aandacht gaat naar zijn toneelstuk Der Müll, die Stadt und der Tod. Het stuk, bij ons beter bekend onder de titel Het Vuil, de Stad en de Dood, heeft sindsdien een meer dan bewogen geschiedenis achter de rug. De personages zijn vleesgeworden stereotypen: de prostituee, de ex-nazi, de neonazi, de gehandicapte, de travestiet, de homo, de Jood…, ze kennen elkaar ook alleen als stereotype. Twee figuren staan centraal: de prostituee Roma B. en “A. die de Rijke Jood wordt genoemd”. Deze laatste is het vleesgeworden beeld dat anderen van hem hebben, een beeld waarin gaandeweg barsten komen: menselijkheid, kwetsbaarheid en mededogen worden zichtbaar. Het Vuil, de Stad en de Dood is een bizar, grauw en wreed sprookje over kapotte mensen in een kapotte stad, één langgerekte noodkreet die bulkt van de troosteloosheid. Ook in dit stuk draait het uiteindelijk om eenzaamheid, angst, seksualiteit en geweld die worden vermengd met maatschappijkritiek.
“Links fascisme en antisemitisme” roepen recensenten wanneer de tekst bij uitgeverij Suhrkamp verschijnt. Het antisemitisme dat de critici in het stuk meenden te zien, heeft voornamelijk te maken met de figuur van de Jood, de rijke projectontwikkelaar. Fassbinder reageerde stomverbaasd op alle opwinding, hij had toch alleen beschreven wat in de jaren zestig en zeventig in Frankfurt was gebeurd: de kaalslag in de Westend, het romantische stationskwartier dat door kil beton werd vervangen. Het stadsbestuur liet het vuile werk door Joodse ondernemers opknappen, goed beseffend dat Joden sinds 1945 in de Bundesrepublik Deutschland zo goed als onaantastbaar waren. Dát was het taboe dat Fassbinder wou doorbreken.

© Barbara Klemm/Joods Museum Berlijn

Nadat Joodse belangengroepen zich nog maar eens tegen een opvoering hadden verzet, kwam het in 1985 tot een besloten voorstelling. Vrijwel iedereen wees het verwijt van antisemitisme van de hand, maar het stuk werd toch niet meer opgevoerd. In Nederland noemde Harry Mulisch de morbiditeit van het stuk afgrondelijk en voegde er fijntjes aan toe dat “Fassbinder niet voor niets zelfmoord heeft gepleegd. Dat siert hem”. Of hoe je een auteur en regisseur een tweede keer omlegt. Als klap op de vuurpijl werd de acteur Jules Croiset begin december 1987 ontvoerd. Zijn extreemrechtse ontvoerders eisten dat hij zijn mening over het toneelstuk zou herzien en bedreigden ook andere Joodse gezinnen. Nederland reageerde ontzet en begin januari 1988 bekende Jules Croiset dat hij alles in scène had gezet, inclusief de ontvoering en dreigbrieven. De zaak werd zonder meer geseponeerd, door weldenkend Nederland werd vooral verveeld weggekeken. Drie jaar later verscheen als Boekenweekgeschenk de novelle Het theater, de brief en de waarheid van Mulisch over de affaire Croiset. Freek de Jonge, wiens gezin in ’87 door een dreigbrief was ontwricht, maakte zich bijzonder boos. Hij nam de novelle op de korrel in De conferencier, het Boekenweekgeschenk en de leugen en kondigde meteen een boekverbranding aan. Het werden achterhoedegevechten, want ondertussen was het toneelstuk in New York probleemloos in première gegaan en werd het ook in Nederland zonder incidenten weer verschillende malen opgevoerd. In De Financieel-Economische Tijd van 4 januari 2003 toonde historicus Gie Vandenberghe op briljant wijze aan dat Het Vuil, de Stad en de Dood in wezen een antikapitalistisch en systeemkritisch stuk is, geen antisemitisch. De eigenlijke hoofdrol is weggelegd voor Roma B., niet de Rijke Jood.

Het Duitsland van Fassbinder en de Hete Herfst
Inmiddels stond Duitsland al een tijdje in rep en roer door de acties van de Rote Armee Fraktion. Ook de culturele en intellectuele wereld ontsnapte er niet aan. Op 10 januari 1972 publiceerde dichter en Nobelprijswinnaar Henrich Böll een artikel waarin hij de oorlog van zes tegen zestig miljoen Duitsers bekritiseerde en terzelfder tijd het populisme van Bildzeitung op de korrel nam; een krant die voor verdere escalatie zorgde en vlijtig een groep demoniseerde wiens theorieën aanzienlijk gewelddadiger waren dan hun acties. De conservatieve media brandmerkten Böll als sympathisant van het terrorisme, sommigen riepen op om hem af te zetten als voorzitter van PEN en zijn huis werd doorzocht door de politie. De krant Die Welt publiceerde een cartoon met een pistool zwaaiende Ulrike Meinhof (in minirok en op hoge hakken) die de auteur als schild gebruikt. De titel boven de wansmakelijke tekening: Ansichten eines Clowns, tevens de titel van één van Bölls bekendere werken. Voor de Bild-lezer was nu wel duidelijk dat elke geëngageerde schrijver of filmmaker een potentiële sympathisant van de RAF was. Böll reageerde met het schrijven van de roman Die verlorene Ehre der Katharina Blum oder: Wie Gewalt entstehen und wohin sie führen kann, een roman die later magistraal werd verfilmd door Volker Schlöndorff en Margarete von Trotta. Wanneer Martin Schleyer, het kopstuk van de Duitse werkgeversorganisatie, in 1977 wordt ontvoerd door leden van de Rote Armee Fraktion is het hek helemaal van de dam.
Dit alles laat Fassbinder niet onberoerd, want hij kent Andreas Baader en Holger Meins persoonlijk van zijn dagen bij het Action-Theater. Fassbinder werkt mee aan Deutschland im Herbst. Die film is meer een tijdsopname dan een echte film: interviews met o.a. RAF-stichter Horst Mähler, beelden van de begrafenis van Schleyer én van de RAF-leiders Baader, Raspe en Enslin, liederen van het Rot Front, maar op het einde ook Joan Baez met het wondermooie Here’s to you. De scènes van Fassbinder behoren tot de sterkste van de film.
Een jaar later komt hij met Die Dritte Generation op het thema terug. In deze film zet een groep verveelde jongeren een terreuractie op stapel. Ze besluiten om de directeur van een informaticabedrijf te ontvoeren, maar beseffen niet dat hij eigenlijk de financier is van hun terreuracties. Op de filmaffiche prijkt een citaat van Fassbinder: “Ich werfe keine Bomben, ich mache Filme”.
In 1979 verschijnt Die Ehe der Maria Braun. Fassbinder portretteert in deze film het grauwe leven op het einde van de Tweede Wereldoorlog en het tumult dat dit veroorzaakt in het leven van de protagonisten. Met name in het leven van Maria en Hermann Braun die tijdens de geallieerde bombardementen op Duitsland in het huwelijk treden, elkaar uit het oog verliezen en na de oorlog, vervreemd door verschillende ervaringen, elkaar weer ontmoeten. De film wordt door Warner Brothers opgekocht en internationaal uitgebracht. Het wordt een megasucces en de film krijgt, naast dertien andere prijzen, een Oscarnominatie voor beste buitenlandse film. Fassbinder voelt zich met deze film voor het eerst geaccepteerd door het publiek. Lang heeft hij er niet van genoten want bijna onmiddellijk daarna begint hij aan wat zijn magnum opus zou worden.

Berlin Alexanderplatz
Alfred Döblin (1878-1957) stond zijn leven lang in de schaduw van zijn grote rivaal Thomas Mann (1875-1955), maar Fassbinder zal hem uit die schaduw halen door de verfilming van diens grote stadsroman Berlin Alexanderplatz. Met een budget van dertien miljoen Duitse mark was Berlin Alexanderplatz destijds de duurste Duitse televisieproductie ooit. De opnamen duurden honderdvijftig dagen en dertien delen plus epiloog waren goed voor vijftien en een half uur film. Toen Berlin Alexanderplatz in 1980 door de Westdeutschen Rundfunk (WDR) werd uitgezonden, was dat een waar evenement. De recensies in de Duitse pers waren lyrisch en ook in het buitenland, onder andere met de VPRO-uitzendingen, werd Berlin Alexanderplatz lovend ontvangen.
Fassbinder was zo gedreven dat hij besloot cocaïne en peppillen te gebruiken om de serie op tijd af te werken en onmiddellijk na de laatste opnames van Berlin Alexanderplatz stortte hij zich op twee speelfilms die tegelijk in dezelfde studio en met dezelfde acteurs werden opgenomen. De eerste film was Lola, een remake van Der blaue Engel uit 1930 van Josef von Sternberg. De tweede was Lili Marleen, een drama over een zangeres tijdens de Tweede Wereldoorlog. Beide films kwamen in 1981 in de bioscoop.
Meteen hierna begon Fassbinder met Die Sehnsucht der Veronika Voss. Dit in zwart-wit gefilmde melodrama vertelt het waargebeurde verhaal van een gevallen actrice die zelfmoord pleegt. De geniale Fassbinder maakte van Veronika Voss tevens een tragedie over ondergang en wedergeboorte van de Duitse film. Fassbinder wint er de Zilveren Beer van de Berlinale van 1982 mee. Er volgt enkel nog een film over homoseksualiteit gebaseerd op het boek Querelle van Jean Genet, want op 10 juni 1982 vindt Juliane Lorenz, de compagnon van Fassbinder, hem dood achter zijn typemachine. Hij was gestorven aan een combinatie van cocaïne, peppillen en alcohol. Het volgende project zou Rosa L. heten.
De films van Fassbinder schetsten een kritisch beeld van het Duitsland van zijn tijd. Ze werden vaak op ongebruikelijke wijze en zeer goedkoop gefilmd, met soms zeer controversiële verhaallijnen waarmee hij gedurfde, baanbrekende en eigentijdse thema’s aansneed. Met Fassbinder verdween een van de kleurrijkste figuren van de Duitse cinema en een tijdje later met hem ook de Autorenkino.

*Bernard Lindekens is redactielid van Aktief. Dit artikel verscheen in Aktief 2018, nr. 2, ledenblad van het Masereelfonds.
Artikels mogen overgenomen worden mits bronvermelding.