Hendrik de Man: een narcist met charisma

Interview met historicus Jan Willem Stutje. Interview afgenomen en bewerkt door Sven Lauwers

Hendrik de Man (1885-1953) was een van de meest invloedrijke Europese politici van zijn generatie. Zijn naam is onlosmakelijk verbonden met het illustere Plan van de Arbeid. Op 30 november stelt uitgeverij Polis i.s.m. Amsab-ISG en Masereelfonds de nieuwe biografie over Hendrik de Man van historicus Jan Willem Stutje voor. In 2012 verscheen van zijn hand Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919). Een romantisch revolutionair, waarmee hij de shortlist van de Libris Geschiedenis Prijs haalde. Redenen genoeg voor een gesprek.

Na je boeken over Paul de Groot, Ernest Mandel en Domela Nieuwenhuis koos je als onderwerp Hendrik de Man. Vanwaar je keuze voor deze mensen?
Ik ben geïnteresseerd in leiderschap. Dat is misschien ongewoon als je schrijft over een egalitaire en democratische beweging als de arbeidersbeweging, maar de vaststelling dat er leiderschap is en dat dit soms autoritaire trekken heeft, maakt het van belang. Met de sociaaldemocratie had ik me niet eerder intensief beziggehouden, een biografie over Hendrik de Man bood me de gelegenheid. Bovendien wil ik graag aandacht besteden aan de duistere kanten van de arbeidersbeweging. Niet alleen aan de overwinningen ook aan de nederlagen, niet alleen aan solidariteit ook aan verdeeldheid, niet alleen aan haar humanistische tradities, ook aan de ontkenning daarvan: aan de onderdrukking van vrouwen, aan racisme, aan antisemitisme, xenofobie en sociaaldarwinisme, verschijnselen die ook in de arbeidersbeweging zichtbaar zijn. De arbeidersbeweging is tot veel in staat, maar haar duistere kanten staan overwinningen in de weg.

Werd de keuze voor Hendrik de Man ook ingegeven door hedendaagse discussies binnen de sociaaldemocratie?  
Een aantal aspecten die De Man heeft uitgewerkt, spelen ook vandaag de dag een rol in de discussie over de regeneratie van een sociaaldemocratie in crisis, en ik beschouw het boek zeker als een bijdrage aan die discussie. Maar het is niet zo dat ik het boek heb geschreven om een rol te spelen in die discussie. Ik bestudeer de geschiedenis niet vanwege de lessen voor het heden, die bestaan volgens mij niet, tenminste niet in een rechtstreeks verband. Ik bestudeer de geschiedenis om de geschiedenis beter te begrijpen. Dat dwingt tot andere vragen en probleemstellingen.

Hoe bewaar je als historicus voldoende afstand tot de persoon waarover je schrijft?
Ik hoef geen affiniteit te voelen met de te biograferen personen om hun geschiedenis te kunnen schrijven, ik vind hun geschiedenis op zichzelf interessant. Gelukkig zijn er  fantastische, betrouwbare biografieën geschreven over Stalin en Hitler. Ze bewijzen de effectieve wetenschappelijkheid van ons vak. Ik denk dat de voorzorgsmaatregelen die ik tref me voldoende beschermen tegen vooringenomenheid. Het belangrijkste is het ontwikkelen van  een zinvol theoretisch kader en het formuleren van hypotheses en relevante vragen. Biograferen is net als andere vormen van geschiedbeoefening vooral het stellen van vragen om daarmee vervolgens op een zinvolle manier het beschikbare bronnenmateriaal te onderzoeken. In ons geval bijvoorbeeld de vraag of De Mans politieke ontwikkeling van links naar rechts onvermijdelijk was? Kwam iedere stap noodzakelijk voort uit een voorafgaande? Of zag het beeld er anders uit en verliep het leven  minder teleologisch. Het is een van de interessante vragen die wordt opgeroepen door de bestaande historiografie. Hoe valt te  begrijpen dat ondanks al hun eenstemmigheid Paul-Henri Spaak in 1940 bij de geallieerden in ballingschap gaat en De Man collaboreert? Als je met zulke vragen het materiaal onderzoekt, zijn je particuliere opvattingen nauwelijks relevant. Dan kan ik als persoon nog altijd vinden dat De Man wel of niet deugt. Maar dat is dan een morele of politieke appreciatie, geen wetenschappelijke.

In 1972 schreef Mieke Claeys-Van Haegendoren een bekende biografie over Hendrik de Man. Kon je gebruik maken van nieuwe of beter toegankelijke bronnen?
De belangrijkste bronnen van Mieke zijn de memoires van De Man en haar gesprekken met de familie. Velen bouwden op haar werk voort zonder nieuw archiefonderzoek. Misschien speelde mee dat het voor de sociaaldemocratie ingewikkeld was om met de politieke erfenis van De Man om te gaan, men bleef er liever vanaf. Nieuw bronnenmateriaal kwam bovendien moeilijk boven tafel en voor zover er nieuw materiaal werd verwerkt, was dat vaak opgediept door Michel Brélaz, een Zwitserse historicus die samen met de familie streefde naar een rehabilitatie van De Man. Michel Brelaz zag een heleboel nieuw materiaal dat hij mocht gebruiken in het kader van dit rehabilitatieproject. Voor buitenstaanders bleef dit bronnenmateriaal, vooral de correspondentie, ontoegankelijk. Brélaz vatte het samen in uittreksels, die niet altijd recht doen aan de oorspronkelijke documenten. Een deel van die oorspronkelijke correspondentie heb ik teruggevonden, maar veel ook niet. Zoals bijvoorbeeld de correspondentie met zijn eerste en tweede vrouw, deze is spoorloos. Natuurlijk ben ik ook op zoek gegaan naar nog onontgonnen bronnen. Een van de dossiers die ik heb kunnen raadplegen, is het dossier van de Belgische veiligheidsdienst. Tenslotte heb ik kunnen profiteren van materiaal afkomstig van figuren waarmee Hendrik de Man in nauw contact stond en dat pas in de laatste jaren beschikbaar is gekomen. Opnieuw bleek het Amsab-ISG een schatkamer te zijn voor de sociaal historicus en de biograaf. Dat alles heeft me toegelaten om een ander beeld van Hendrik de Man te schetsen dan toe nu toe bestond.

Het is geen fraai beeld. Had materiaal dat je niet boven tafel hebt kunnen krijgen het beeld nog kunnen bijsturen?
Het ligt voor de hand dat achtergehouden materiaal niet ontlastend is. Materiaal waarvan ik vermoed dat het bestaat, zal de accenten die in dit boek liggen eerder versterken. Er is veel te doen geweest over de vlucht van De Man van Frankrijk naar Zwitserland. Ik ben erachter gekomen dat hij niet in de eerste plaats naar Zwitserland wilde uitwijken, maar naar Duistland. Daar zaten veel kameraden en verwachtte hij bescherming. Hendrik de Man maakte in ballingschap deel uit van een milieu dat de oorlog slecht kon vergeten. De mensen die er deel van uitmaakten verbleven in het buitenland omdat ze niet naar België terug durfden of terug konden.

Op de website van uitgeverij Polis kunnen we lezen dat De Man “een geniale en ongenaakbare denker” was. Ook Mandel schreef in 1959 dat De Man “een van de weinige vruchtbare theoretici was die de Belgische arbeidersbeweging heeft voortgebracht.” Was Hendrik de man inderdaad zo’n intellectuele reus?
Hendrik de Man is een intellectueel en een ideoloog in zoverre dat zijn intellectuele werk ook met politieke ambities geschreven is. Hij is een theoreticus meer dan een politicus of organisator. De Man is de auteur van De psychologie van het socialisme, een boek dat in 1926 verschijnt en dat hem in één klap beroemd maakte. Met alle beperkingen die het boek heeft – er ontbreekt bijvoorbeeld een notenapparaat of anderszins een verantwoording van zijn bronnen -, werd het toch beschouwd als een meesterwerk omdat hij precies de vinger op de zere plek legde: de schrille contradictie tussen de toenmalige marxistische theorie en het socialistische/communistische politiek-maatschappelijke project. Hij vroeg zich af welk belang de arbeidersbeweging had om de burgerlijke democratie te omarmen, een kwestie die hij ook al voor de Eerste Wereldoorlog aan de orde had gesteld. Maar belangrijker nog was de vraag hoe het kan dat de arbeidersklasse in 1914 zo gemakkelijk de verdediging van het vaderland op zich nam. De Man stelde vast dat de arbeidersklasse zijn toegeschreven eigenbelang volstrekt negeerde en gevoelig was voor allerlei nationalistische sympathieën en ambities. Hendrik de Man kwam tot de conclusie dat het socialisme geen materialistische fundering behoefde en nam afscheid van de opvatting dat de arbeidersklasse de motor van de  verandering is. In plaats daarvan schoof hij het ethische motief naar voren als drijfveer voor verandering, een ahistorisch, humanistisch gedefinieerd substraat dat elk mens eigen is en dat tot ontwikkeling gebracht tot nieuwe socialistische verhoudingen kan leiden. Volgens De Man zou vooral een intellectuele elite daartoe de aanzet kunnen geven.

Hij raakte dus wel de juiste snaar met zijn analyse. Zijn werk  werd zeer goed ontvangen.
Nieuwe inzichten komen haast nooit in een isolement tot stand. Tot op zekere hoogte zijn het de concrete maatschappelijke ontwikkelingen – vooral de groei van het fascisme en de stalinistische ontaarding – die mensen dwongen om opnieuw na te denken. Er waren tal van theoretici in Europa die zich met dezelfde soort vragen bezighielden als De Man, in Italië, Frankrijk, Engeland en Duitsland. Allen waren ze op een of andere manier ontevreden over een marxisme dat voorrang gaf aan fatalisme, en ze namen afstand van het kautskyaanse determinisme en van de idee dat het materiële belang zich beperkte tot de economische omstandigheden. Maar in tegenstelling tot bijvoorbeeld de theoretici van de Frankfurter Schule, die de arbeidersklasse niet verlieten, zou De Man breken met het marxisme en een elitetheorie ontwikkelen.

Ook vandaag slaagt de sociaaldemocratie er niet in om een antwoord te formuleren op het onbehagen dat leeft bij grote groepen in de samenleving.
Daar lijkt het inderdaad op. De Man nam in zijn tijd deel aan dat debat en stelde dat we moesten leren van het fascisme. De sociaaldemocratie moest even hard zijn en even duidelijk  tegen de haute finance ageren als de fascisten. De Man verweet de sociaaldemocratie dat ze de directe strijd tegen het fascisme als prioritair beschouwde. In plaats daarvan zou ze er beter aan doen alle voorrang te geven aan de strijd tegen de crisis. Het fascisme zou dan vanzelf de wind uit de zeilen worden genomen. Het betekende concreet dat de sociaaldemocratie zich  afzijdig moest houden van de strijd in Spanje. Daarnaast moest ze vooral ook het belang van de Belgische arbeidersklasse in het oog houden. De Belgische industrie moest de kans om te profiteren van de burgeroorlog en het Burgos van Franco niet aan zich voorbij laten gaan.  Een idioot soort debat waarbij nationalisme de constante is en uit het oog werd verloren waar de socialistische beweging van oudsher voor stond: internationalisme en solidariteit. Rechts kon rustig blijven doorgroeien.

Een van de mythes rond de figuur De Man is de idee dat het Plan van de Arbeid ook tot doel had het fascisme te counteren. Kan je de krijtlijnen van het Plan De Man nog een keer schetsen?
De sociaaldemocratie stond aanvankelijk machteloos tegenover de crisis van de jaren ’30. De storm moest uitwoeden. De kapitalistische wetten stonden ingrijpen niet toe. Het enige wat overbleef was bidden en hopen dat de arbeidersklasse begreep dat ze moest afrekenen met het kapitaal. Die opvatting bleef binnen de Belgische sociaaldemocratie lang populair, zelfs bij Emile Vandervelde. Maar toen de crisis in de jaren dertig doorzette, ontstonden er ideeën om dit attentisme te verlaten en om actief in te grijpen om de gevolgen van de crisis te bestrijden: bezuiniging, loondaling en massawerkloosheid voorop. Die ideeën ontwikkelden niet alleen  de socialistische beweging, maar ook meer tegen het liberalisme aanleunende theoretici als Keynes, in de VS met de New Deal en in de communistische wereld met de planeconomie. De Man was goed op de hoogte van die discussies en had de debatten in Duitsland van nabij gevolgd. In feite werd De Man geïnspireerd door Wladimir Woytinski, een briljante Russische econoom die werkte voor de Duitse vakbeweging. Het Plan De Man heeft dus vele vaders, al kreeg het wel zijn naam. Het is belangrijk om te beseffen dat het plan aanvankelijk op Europese schaal bedacht was. De pogingen om de crisis in Europees verband aan te pakken mislukten echter. Emile Vandervelde, die besefte dat er iets moest gebeuren, nodigde De Man uit om een bureau voor sociaal onderzoek op te richten om vandaaruit het Plan De Man gestalte te geven. Dat Hendrik de Man uit Duitsland gegooid is en zijn boeken op  Goebbels brandstapels terecht kwamen, is een mythe. Hij werd al eerder door Vandervelde uitgenodigd, voor een goed betaalde positie. Het plan dat De Man opzette, bestond eigenlijk uit twee delen: een conjunctureel en een structureel gedeelte. Het Plan van de Arbeid werd  het voertuig waarmee De Man in de Belgische sociaaldemocratie aan de macht kwam. Hij   bereikte dat door te mobiliseren. In de eerste helft van de jaren dertig ontstond een grote, enthousiaste beweging voor de strijd tegen de crisis waarin De Man een zekere charismatische rol speelde. Toen De Man vicevoorzitter van de partij was geworden en daar op het hoogtepunt van zijn macht stond, trachtte hij zijn macht uit te breiden naar de staat. Hij presenteerde de sociaaldemocratie als regeringspartij en was bereid om in ruil voor ministersposten het Plan van de Arbeid, met name de structuurhervormingen, op te geven. Het was de basis waarop de tot het uiterste gespannen sociale verhoudingen gepacificeerd konden worden. Het eerste kabinet Van Zeeland zag het licht.

De Man was met andere woorden zelf verantwoordelijk voor de teloorgang van het Plan van de Arbeid?
Het was niet de haute finance, maar De Man zelf die het Plan van de Arbeid om zeep hielp. Hendrik de Man verloor in één klap alle beloftes die hij daarvoor had gedaan uit het oog toen de macht lonkte.

Dat schept een lelijk beeld van een cynische, machtshongerige man.
Hij zou later verklaren dat hij de structuurhervormingen nooit zou hebben doorgevoerd, zelfs als alle seinen op groen hadden gestaan. Zijn verlangen om staatsmacht te verwerven ging boven alles. Alleen in een kabinet en het liefst aan het hoofd daarvan dacht hij zijn oplossing voor de crisis te kunnen doorzetten. Daar is hij nooit in geslaagd en later zal Spaak namens de sociaaldemocraten als eerste premier worden. Eigenlijk ging het om een cynische manipulatie van een beweging die, zoals hij dat samen met Spaak formuleerde, niet in stelling gebracht kon worden omdat dit was uitgelopen op een staatsgreep. Dat hij vervolgens naar een eigen autoritaire oplossing streefde, is weer een ander verhaal.

Waar is de idealistische Hendrik de Man van voor de Eerste Wereldoorlog?
Vergeet niet dat hij het vertrouwen in de arbeidersklasse kwijt was vanaf het begin van de jaren ’20. De beweging voor het Plan van de Arbeid was in de eerste plaats gericht op de middenklassen; ze was een kleinburgerlijke beweging van kleine winkeliers, kleine handelaren, enzovoort. Apart daarvan manifesteerde zich een stakingsbeweging die geleid werd door communisten en andere radicalen, vooral in Wallonië. De Man was met andere woorden al lang geen representant meer van de arbeidersklasse. De breuk lag dus eerder, in de jaren twintig meer dan in de jaren dertig. De Man ontplooide zich in die periode als een elitedenker die op zoek ging naar een autoritaire oplossing, een oplossing waarin allerlei corporatieve ideeën geleidelijk aan de bovenhand kregen.

Je hebt in je boek veel aandacht voor de persoonlijke tragedie in De Mans leven.
De Man was een figuur die sociaal geïsoleerd stond. Hij was arrogant en aarzelde niet om mensen van zich af te duwen als hem dat beter uitkwam, zelfs als die mensen politiek dicht bij hem stonden. Dat zou je een tragedie kunnen noemen. Hij was onmachtig om vertrouwenwekkende relaties met mensen aan te gaan. Zijn familiale achtergrond is hier van belang. Vader De Man was een potentaat die er op los sloeg als hij het nodig vond, hij chanteerde en oefende een sterke morele druk uit op zijn kinderen. Hendrik kreeg een sobere, spartaanse opvoeding, moest ‘s morgens om zes uur opstaan en het hoofd onder de koude kraan steken. Het had iets sadistisch. Zo bezien was De Man een  beklagenswaardige figuur die moeite had om zich overeind te houden en vertrouwen in anderen te stellen. In zijn memoires geeft De Man daar een andere lezing van. Zijn opvoeding in rechtschapenheid, voor eerlijkheid en respect zou hem uitermate geschikt hebben gemaakt om leiding te geven aan de beweging of uit te blinken als militair. Je kan het ook interpreteren als een narcistische uitwas. Alles draaide om hem, de ander was daaraan ondergeschikt. Soms is narcisme een voordeel bij leiderschap, dat zie je bij Trump. Maar het kan een nadeel worden als je moet samenwerken.

Zou je de politieke evolutie van De Man ook als een tragedie omschrijven? Heb je met het schrijven van deze biografie begrip gekregen voor De Man?
Geen begrip in de zin van respect. Wel voor de logica die zich in het politieke traject dat hij doorliep voltrok. Maar ik verzet me tegen de gedachte dat elke nieuwe stap noodzakelijk uit de vorige voorkwam. Zijn afscheid van het marxisme leidde niet automatisch tot de collaboratie.

Het Masereelfonds organiseert een tournee met Jan Willem Stutje naar aanleiding van zijn biografie over Hendrik de Man. Van woensdag 5 december tot donderdag 13 december achtereenvolgens in Brussel, Antwerpen, Sint-Niklaas, Brugge, Mechelen, Oostende en Hasselt. Alle info via www.masereelfonds.be

Dit interview verscheen in Aktief 2018, nr. 5, ledenblad van het Masereelfonds. Artikels mogen overgenomen worden mits bronvermelding.