Dresscodes

Column door Jan Bastyns*

Kort na de millenniumwissel was mijn jongste zoon zo’n 13, 14 jaar oud. Hij liep steevast met een uitgerafeld petje op het hoofd, de helft van zijn buitenmaatse jeansbenen als een worst rond zijn enkels gerold en zijn achtersteven gesierd met een genereus bouwvakkersdecolleté. Zijn demarche, de handen diep in de zakken, deed niet direct denken aan die beloftevolle  judoka die bij weekendtoernooien een grote kom met podiummedailles vulde. Hij was een skater en skaters hoorden er toen zo bij te lopen. De anderen waren de gabbers, met de pijpen van het trainingspak strak gespannen in nike airmaxen.

Dresscodes, ze zijn van alle tijden. Ook naturisme is een dresscode, en wellicht de meest vredelievende, want het lijkt me uitermate moeilijk een oorlog te organiseren tussen allemaal naakte mensen. Georganiseerde conflicten vergen steevast geüniformeerde dresscodes. Het achterliggende fenomeen? Groepsvorming. Een aantal mensen klontert samen rond een gegeven: economisch, sociaal, taalkundig, cultureel, militair, territoriaal, sportief, creatief, recreatief, generationeel, ideologisch, religieus, modieus, zeg maar. Als wederdienst voor aanhankelijkheid en onderwerping (soumission?) biedt de groep het individu een laagje identiteit en wat geborgenheid, want een vlag maakt ons aardse bestaan wat minder absurd en zet onszelf altijd een beetje uit de wind. En vlaggen zijn er om gezien te worden, vandaar dresscodes en bijbehorende symbolen. Elke vlag beoogt ook vaak een proselitisch effect. Kijk naar ons, stap mee, join the club. Die boodschap is echter dubbel. “Dit zijn wij” zegt ook meteen “Jij hoort er (nog) niet bij, wij zijn apart”.

Nu is een geseculariseerde, democratische maatschappij precies zichzelf verplicht, het hele plaatje te bekijken. Zij moet elk individu de vrijheid garanderen zijn vlag met bijbehorende symboliek te kiezen, uiteraard binnen wettelijke beperkingen zoals niet aanzetten tot geweld. Maar wanneer zij zich tot iedereen richt moet die seculiere  maatschappij verbindend werken, de verschillen overstijgen en de gelijkheid voor de wet symbolisch uitstralen. Hier en daar krijgt die filosofie reeds gestalte. Zo gebruikt de overheid uitsluitend wit papier voor haar berichtgeving. Belastingen, wetgeving, reglementen allerhande…wit papier. Op een ander niveau is er het vaak verguisde schooluniform, precies bedoeld om segmentering tussen de schoolgaande jongeren tegen te gaan. De rijpere lezer herinnert zich in dat verband wellicht Jambers’ schokkende panoramareportage uit 1986 rond de chique Milletvesten in de scholen. Het actuele LEF-project (Levensbeschouwing Ethiek en Filosofie) dat minstens één van de twee hiertoe voorziene wekelijkse lesuren voor de ongesplitste leergroepen bestemt, heeft dezelfde inspiratie. In het justitieel ritueel zorgt de toga van de advocaten er toch ook voor dat een steenrijke Vermassen voor de wet in hetzelfde neutrale plunje moet verschijnen als een beginnend stagiairtje met een hongerloon.

In Amerika mogen meerdere vlaggen je huis of tuin sieren, maar de verplicht aanwezige stars and stripes moet steeds het hoogst hangen en boven de andere uitsteken. Sterke symboliek. En toch klimt hier vaak de spreekwoordelijke kat op de semantische koord. Denk een witte vlag die elke andere symboliek overstijgt maar één grote zwakte vertoont, nl. de waarde die ze dient uit te stralen: neutraliteit. Hoe ne utrum (het één noch het ander) positief definiëren? Zeg maar eens wat waarheid is, of objectiviteit, vrijheid, recht, zin… Als docent normaalschool kon ik ook niet zeggen hoe het precies moet in de les, maar wel hoe het zeker niet kan. Om te bewijzen dat iets onwaar is volstaat één feit. Om te bewijzen dat iets waar is daarentegen… Nu blijkt de moeilijkheid om precies te zeggen wat neutraliteit is gefundenes fressen voor wie, vanuit het intelligent klinkende “neutraliteit bestaat niet”, zijn eigen waarheid boven alles plaatst, ze met alle middelen wil promoten en ze door éénieders strot wil rammen.

Ik kan steeds begrip opbrengen voor elke poging tot neutraliteit voor zover ze uitgaat van de oprechte bedoeling, de samenhorigheid vorm te geven. Ik speelde ooit enkele jaren Sinterklaas voor de verzamelde gemeentescholen van Anderlecht en kon perfect begrijpen dat men een outfit zonder kruis wenste, hoewel het toch een manifest religieus gekleurde figuur betreft. Er een feest voor alle Anderlechtse ouders en kinderen van maken was een bedoeling waar ik perfect achter kon staan. Uiteraard is het kruis een ander symbool dan een kraagspeldje van de vogelpikclub van Wortegem-Petegem, en zo belanden we in woelig  vaarwater.

Wanneer ik aan een officieel loket geconfronteerd wordt met symbolen van een godsdienst die mij als homo het recht op leven ontzegt, of een die zich boven de democratische wetgeving rond slachtpraktijken plaatst, heb ik als burger een probleem. Idem wanneer mijn dokter symbolen draagt van een godsdienst die mij wettelijk toegestane euthanasie zou weigeren. Ja, beste lezer, hoewel die me al lang de keel uithangt, duikt hier weer de mediatieke en murw gerecupereerde tarte à la crème  van de hoofddoek op. Onlangs las ik in DS een artikel waarin dit hoofddeksel achtereenvolgens, afhankelijk van de beoogde bewijsvoering, opgevoerd werd als 1- een futiel vestimentair detail, 2- een sterk instrument voor vrouwenemancipatie of nog 3- een religieus symbool waar de godsdienstvrijheid altijd en overal recht op geeft. In dezelfde tekst…faut le faire! Op café zegt men dan: ”Waddist? Eiren of joeng?” Ik weet misschien niet wat precies neutraal betekent, maar dat een hoofddoek aan een loket, op school, in een rechtbank of verkiezingsbureau niet neutraal is, dat weet ik zeker. En aangezien godsdienstige geloofsinhouden de facto irrationeel zijn en bij gebrek aan objectieve parameters niet kwalitatief te evalueren, zou absolute vrijheid voor alle godsdiensten De Wever inderdaad het recht toekennen zijn kinderen met een pastafarivergiet  op het hoofd naar school te sturen.

*Jan Bastyns schrijft columns voor Aktief. Deze column verscheen in Aktief 2018, nr. 3, ledenblad van het Masereelfonds.
Artikels mogen overgenomen worden mits bronvermelding.